Skip to main content

UN NUMMER
2037

VERPAKKINGSGROEP

N.V.T.

Op dit UN nummer is geen GEVI nr van toepassing.
ADR KOLOMMEN 1, 2, 7A, 7B
ADR KLASSE 2 - GASSEN

Klasse 2 gassen

De titel van klasse 2 omvat zuivere gassen, gasmengsels, mengsels van één of meer gassen met één of meer andere stoffen, alsmede voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten.

Voor de volledige omschrijving van klasse 2 in hoofdstuk 2.2.2 van het ADR klik HIER.

CLASSIFICATIECODE 5F

5
Spuitbussen en houders, klein, met gas (gaspatronen);

F
Brandbaar

LIMITED QUANTITIES : 1 LITER

3.4.1

In dit hoofdstuk zijn de voorwaarden opgenomen van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen van bepaalde klassen in gelimiteerde hoeveelheden. De beperkingen voor de hoeveelheden van toepassing per binnenverpakking of voorwerp, zijn voor elke stof aangegeven in kolom (7a) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Bovendien is de hoeveelheid “0” aangegeven in deze kolom voor alle posities die niet ter vervoer overeenkomstig dit hoofdstuk zijn toegelaten.
Gelimiteerde hoeveelheden gevaarlijke goederen die in dergelijke gelimiteerde hoeveelheden verpakt zijn, die voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn niet onderworpen aan enige andere bepalingen van het ADR, met uitzondering van de desbetreffende bepalingen van:

  1. Deel 1, hoofdstukken 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.8, 1.9;
  2. Deel 2;
  3. Deel 3, hoofdstukken 3.1, 3.2, 3.3 [behalve bijzondere bepalingen 61, 178, 181, 220, 274, 625, 633 en 650 e)];
  4. Deel 4, paragrafen 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8;
  5. Deel 5, 5.1.2.1 a) i) en b), 5.1.2.2, 5.1.2.3, 5.2.1.10, 5.4.2;
  6. Deel 6, constructievoorschriften van 6.1.4 en paragrafen 6.2.5.1 en 6.2.6.1 t/m 6.2.6.3;
  7. Deel 7, hoofdstuk 7.1 en 7.2.1, 7.2.2, 7.5.1 (behalve 7.5.1.4), 7.5.2.4, 7.5.7, 7.5.8 en 7.5.9;
  8. 8.6.3.3 en 8.6.4.

 

3.4.2

Gevaarlijke goederen mogen uitsluitend zijn verpakt in binnenverpakkingen die in geschikte buitenverpakkingen zijn geplaatst.

Er mogen tussenverpakkingen worden gebruikt. Verder moet voor voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S, volledig worden voldaan aan de voorschriften van sectie 4.1.5. Het gebruik van binnenverpakkingen is niet noodzakelijk voor het vervoer van voorwerpen zoals spuitbussen of “houders, klein, met gas”.

De totale bruto massa van het collo mag 30 kg niet overschrijden.

 

3.4.3

Behalve voor voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn trays omwikkeld met krimp- of rekfolie, die voldoen aan de voorwaarden van 4.1.1.1, 4.1.1.2 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8, aanvaardbaar als buitenverpakking voor voorwerpen of binnenverpakkingen die gevaarlijke goederen bevatten, vervoerd overeenkomstig dit hoofdstuk. Binnenverpakkingen die gemakkelijk kunnen breken of worden doorboord, zoals die welke zijn vervaardigd van glas, porselein, aardewerk of bepaalde kunststoffen, moeten in geschikte tussenverpakkingen worden geplaatst die voldoen aan de bepalingen van 4.1.1.1, 4.1.1.2 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8 en zodanig zijn ontworpen dat zij voldoen aan de constructievoorschriften van 6.1.4. De totale bruto massa van het collo mag 20 kg niet overschrijden.

 

3.4.4

Vloeibare goederen van klasse 8, verpakkingsgroep II in binnenverpakkingen van glas, porselein of aardewerk moeten zijn omhuld in een inerte en stijve tussenverpakking.

 

3.4.5

Gereserveerd

3.4.6

Gereserveerd

3.4.7

Kenmerking van colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten

3.4.7.1

Colli die gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden bevatten, moeten – behalve bij vervoer door de lucht – zijn voorzien van het in figuur 3.4.7.1 afgebeelde kenmerk:

3.4 LQ 1

Figuur 3.4.7.1 - Kenmerk voor colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten

Het kenmerk moet duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn en in staat zijn blootstelling aan weer en wind te weerstaan zonder een wezenlijke vermindering van de doeltreffendheid.

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). De bovenste en onderste gedeelten en de omringende lijn moeten zwart zijn. Het middelste gebied moet wit of een geschikte contrasterende achtergrond zijn. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimale dikte van de lijn die de ruit vormt moet 2 mm zijn. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.4.7.2

Indien de grootte van het collo dit vereist, mogen de minimale buitenafmetingen zoals getoond in figuur 3.4.7.1 worden verkleind, met als ondergrens 50 mm x 50 mm, onder voorwaarde dat het kenmerk duidelijk zichtbaar blijft. De minimale dikte van de lijn die de ruit vormt mag worden teruggebracht tot een minimum van 1 mm.

 

3.4.8

Kenmerking van colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten conform deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO

3.4.8.1

Colli die gevaarlijke goederen bevatten verpakt in overeenstemming met de bepalingen van deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO mogen van het in figuur 3.4.8.1 afgebeelde kenmerk zijn voorzien ten bewijze dat aan deze bepalingen wordt voldaan:

3.4 LQ 2

Figuur 3.4.8.1 - Kenmerk voor colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten conform deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO

Het kenmerk moet duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn en in staat zijn blootstelling aan weer en wind te weerstaan zonder een wezenlijke vermindering van de doeltreffendheid

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). De bovenste en onderste gedeelten en de omringende lijn moeten zwart zijn. Het middelste gebied moet wit of een geschikte contrasterende achtergrond zijn. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimale dikte van de lijn die ruit vormt moet 2 mm zijn. Het symbool “Y” moet in het midden van het kenmerk zijn aangebracht en moet duidelijk zichtbaar zijn. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.4.8.2

Indien de grootte van het collo dit vereist, mogen de minimale buitenafmetingen zoals getoond in figuur 3.4.8.1 worden verkleind, met als ondergrens 50 mm x 50 mm, onder voorwaarde dat het kenmerk duidelijk zichtbaar blijft. De minimale dikte van de lijn die de ruit vormt mag worden teruggebracht tot een minimum van 1 mm. Het symbool "Y" moet bij benadering in verhouding blijven tot het symbool "Y" in figuur 3.4.8.1.

 

3.4.9

Colli die gevaarlijke goederen bevatten en die zijn voorzien van het kenmerk getoond in 3.4.8 met of zonder de aanvullende etiketten en kenmerken voor vervoer door de lucht worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van sectie 3.4.1, naar gelang van toepassing, en van de secties 3.4.2 t/m 3.4.4 en hoeven niet te zijn voorzien van het kenmerk afgebeeld in 3.4.7.

 

3.4.10

Colli die gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden bevatten en die zijn voorzien van het in 3.4.7 getoonde kenmerk en voldoen aan de bepalingen van de Technische Instructies van de ICAO, met inbegrip van alle noodzakelijke kenmerken en etiketten zoals aangegeven in de delen 5 en 6, worden geacht te voldoen aan de bepalingen van sectie 3.4.1, naar gelang van toepassing, en van de secties 3.4.2 t/m 3.4.4.

 

3.4.11

Gebruik van oververpakkingen
Voor een oververpakking die gevaarlijke goederen bevat verpakt in gelimiteerde hoeveelheden, geldt het volgende:

Tenzij de kenmerken representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking:

  • de aanduiding “OVERVERPAKKING” bevatten. De letters van het woord “OVERVERPAKKING” moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en
  • zijn gekenmerkt met de kenmerken vereist volgens dit hoofdstuk.

Behalve bij vervoer door de lucht zijn de overige bepalingen van 5.1.2.1 alleen van toepassing indien de oververpakking andere gevaarlijke stoffen bevat die niet verpakt zijn in gelimiteerde hoeveelheden en dan slechts in verband met deze andere gevaarlijke goederen.

 

3.4.12

Afzenders van gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden moeten voorafgaand aan het vervoer aan de vervoerder de totale bruto massa van dergelijke te verzenden goederen op aantoonbare wijze meedelen.

 

3.4.13

  1. Transporteenheden met een maximale massa van meer dan 12 ton die gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden vervoeren, moeten overeenkomstig 3.4.15 aan de voorzijde en de achterzijde van merktekens zijn voorzien, behalve indien de transporteenheid andere gevaarlijke goederen bevat waarvoor een kenmerking met oranje borden overeenkomstig 5.3.2 vereist is.

    Is dat laatste het geval, dan mag ofwel alleen de vereiste kenmerking met oranje borden ofwel zowel de kenmerking met oranje borden overeenkomstig 5.3.2 als de merktekens overeenkomstig 3.4.15 op de transporteenheid weergegeven zijn.

  2. Containers waarin gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd op transporteenheden met een maximale massa van meer dan 12 ton, moeten overeenkomstig 3.4.15 aan alle vier de zijden van merktekens zijn voorzien, behalve indien de container andere gevaarlijke goederen bevat waarvoor het aanbrengen van grote etiketten overeenkomstig 5.3.1 vereist is. Is dat laatste het geval, dan mogen ofwel alleen de vereiste grote etiketten ofwel zowel de grote etiketten overeenkomstig 5.3.1 als de merktekens overeenkomstig 3.4.15 op de container weergegeven zijn.
    De dragende transporteenheid hoeft niet van merktekens te zijn voorzien, behalve indien de merktekens die op de containers zijn aangebracht van buiten deze dragende transporteenheid niet zichtbaar zijn.

    In het laatste geval moet dezelfde kenmerking zijn aangebracht aan de voorzijde en de achterzijde van de transporteenheid.

 

3.4.14

Van de merktekens aangegeven in 3.4.13 kan worden afgezien indien de totale bruto massa van de vervoerde colli, die gevaarlijke goederen bevatten, verpakt in gelimiteerde hoeveelheden, 8 ton per transporteenheid niet overschrijdt.

 

3.4.15

De merktekens gespecificeerd in 3.4.13 moeten overeenkomen met die welke is voorgeschreven in 3.4.7, behalve dat de afmetingen ten minste 250 mm x 250 mm moeten bedragen. Deze merktekens moeten zijn verwijderd of afgedekt indien geen gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd.

 

EXCEPTED QUANTITIES : E0

3.5.1

Vrijgestelde hoeveelheden

3.5.1.1

Vrijgestelde hoeveelheden van gevaarlijke goederen van bepaalde klassen - met uitzondering van voorwerpen - die aan de bepalingen van dit hoofdstuk voldoen, zijn aan geen enkele andere bepaling van het ADR onderworpen, behalve aan:

  1. de voorschriften voor de opleiding in hoofdstuk 1.3;
  2. de procedures voor de classificatie en de criteria voor de verpakkingsgroepen in deel 2;
  3. de verpakkingsvoorschriften van 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4 en 4.1.1.6.

Opmerking: In het geval van radioactieve stoffen zijn de voorschriften voor radioactieve stoffen in vrijgestelde colli in 1.7.1.5 van toepassing.

 

3.5.1.2

Gevaarlijke goederen die als vrijgestelde hoeveelheden mogen worden vervoerd overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn in kolom (7b) van tabel A van hoofdstuk 3.2 als volgt door een alfanumerieke code aangegeven:

Code  

Grootste netto hoeveelheid
per binnenverpakking

(in grammen voor vaste stoffen en in ml voor vloeistoffen en gassen)

Grootste netto hoeveelheid per buitenverpakking
(in grammen voor vaste stoffen en in ml voor vloeistoffen en gassen, of de som van grammen en ml in het geval van gezamenlijke verpakking)
E0 Niet toegestaan als vrijgestelde hoeveelheid
E1 30 1000
E2 30 500
E3 30 300
E4 1 500
E5 1 300

Bij gassen heeft het volume aangegeven voor binnenverpakkingen betrekking op de waterinhoud van de binnenhouder en het volume aangegeven voor buitenverpakkingen heeft betrekking op de gecombineerde waterinhoud van alle binnenverpakkingen binnen één enkele buitenverpakking.

 

3.5.1.3

Indien gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden, waaraan verschillende codes zijn toegekend, gezamenlijk zijn verpakt, moet de totale hoeveelheid per buitenverpakking zijn beperkt tot die welke overeenkomt de meest restrictieve code.

 

3.5.1.4

Vrijgestelde hoeveelheden van gevaarlijke goederen waaraan de codes E1, E2, E4 en E5 zijn toegekend, met een grootste netto hoeveelheid gevaarlijke goederen per binnenverpakking die voor vloeistoffen en gassen tot 1 ml en voor vaste stoffen tot 1 g beperkt is en een grootste netto hoeveelheid gevaarlijke goederen per buitenverpakking van ten hoogste 100 g voor vaste stoffen of 100 ml voor vloeistoffen en gassen, zijn alleen onderworpen aan:

  1. de voorschriften van 3.5.2, behalve dat geen tussenverpakking is vereist indien de binnenverpakkingen op zodanige wijze veilig in een buitenverpakking met opvulmateriaal zijn verpakt dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken of worden doorboord noch hun inhoud kunnen verliezen, en, voor vloeistoffen, indien de buitenverpakking een voldoende hoeveelheid absorberend materiaal bevat voor het opnemen van de totale inhoud van de binnenverpakkingen; en
  2. de voorschriften van 3.5.3

 

3.5.2

Verpakkingen
Verpakkingen, gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden, moeten in overeenstemming zijn met het volgende:

  1. Er moet een binnenverpakking zijn en elke binnenverpakking moet zijn vervaardigd van kunststof (met een minimumwanddikte van 0,2 mm bij gebruik voor vloeistoffen) of van glas, porselein, steengoed, aardewerk of metaal (zie ook 4.1.1.2) en de sluiting van elke binnenverpakking moet op veilige wijze zijn gefixeerd met draad, band of andere werkzame middelen; houders die een hals met gegoten schroefdraad hebben, moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte schroefdop. De sluiting moet bestand zijn tegen de inhoud;
  2. Elke binnenverpakking moet op veilige wijze zijn verpakt in een tussenverpakking met opvulmateriaal op een zodanige wijze, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken, worden doorboord of de inhoud verliezen. Bij vloeibare gevaarlijke goederen moet de tussen- of buitenverpakking genoeg absorberend materiaal bevatten om de volledige inhoud van de binnenverpakking te absorberen. Bij plaatsing in de tussenverpakking mag het absorberend materiaal het opvulmateriaal zijn. Gevaarlijke stoffen mogen niet gevaarlijk reageren met het opvulmateriaal, het absorberend materiaal en het materiaal van de verpakking of de ongeschonden staat of de functie van de materialen reduceren. Ongeacht de stand van de verpakking moet deze de inhoud volledig kunnen bevatten in geval van breuk of lekkage;
  3. De tussenverpakking moet op veilige wijze worden verpakt in een stevige, stijve buitenverpakking (hout, karton of een ander even stevig materiaal);
  4. Elk type collo moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van 3.5.3;
  5. Elk collo moet zo groot zijn dat er voldoende ruimte is voor het aanbrengen van alle noodzakelijke kenmerken; en
  6. Oververpakkingen mogen worden gebruikt en mogen ook colli met gevaarlijke goederen bevatten of goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

 

3.5.3

Beproevingen voor de colli

3.5.3.1

Het volledige collo als voor het vervoer gereed gemaakt, met binnenverpakkingen die in het geval van vaste stoffen tot ten minste 95 % van hun inhoud en in het geval van vloeistoffen tot ten minste 98 % van hun inhoud zijn gevuld, moeten in staat zijn, zoals aangetoond door beproevingen die op passende wijze zijn gedocumenteerd, zonder breuk of lekkage van een binnenverpakking en zonder aanmerkelijke vermindering van de doeltreffendheid te doorstaan:

  1. Valproeven op een op een star, niet veerkrachtig vlak en horizontaal oppervlak van een hoogte van 1,8 m:
    1. Indien het monster de vorm heeft van een kist of doos, moet de valproef worden uitgevoerd in alle volgende oriëntatierichtingen:
      • plat op de bodem;
      • plat op de bovenzijde;
      • plat op de langste zijde;
      • plat op de kortste zijde;
      • op een hoek;
    2. Indien het monster de vorm heeft van een vat moet de valproef worden uitgevoerd in alle volgende oriëntatierichtingen:
      • diagonaalsgewijs op de bovenrand met het zwaartepunt loodrecht boven het trefpunt;
      • diagonaalsgewijs op de bodemrand;
      • plat op de zijde;

        Opmerking: Elke hierboven genoemde valproef mag met verschillende doch identieke colli worden uitgevoerd.

  2. Een kracht die gedurende 24 uur op het bovenoppervlak wordt aangebracht en die overeenkomt met de totale massa van identieke colli, gestapeld tot een hoogte van 3 m (het monster inbegrepen).

 

3.5.3.2

Voor beproevingsdoeleinden mogen de stoffen die in de verpakking vervoerd zullen worden door andere stoffen worden vervangen behalve indien dit de resultaten van de beproevingen ongeldig zou maken. Indien in het geval van vaste stoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet deze dezelfde fysische eigenschappen (massa, korrelgrootte, etc.) bezitten als de te vervoeren stof.
Indien bij de valproef voor vloeistoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet de relatieve dichtheid en viscositeit daarvan vergelijkbaar zijn met die van de vervoeren stof.

 

3.5.4

Kenmerking van colli

3.5.4.1

Colli die vrijgestelde hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten, die overeenkomstig dit hoofdstuk gereedgemaakt zijn, moeten duurzaam en leesbaar van het kenmerk, afgebeeld in 3.5.4.2, zijn voorzien. Het eerste of het enige nummer van het gevaarsetiket, aangegeven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 van elk gevaarlijk goed dat zich in het collo bevindt moet worden vermeld op het kenmerk. Indien de naam van de afzender of geadresseerde niet elders op het collo is vermeld, moet deze informatie op het kenmerk worden opgenomen.

 

3.5.4.2

Kenmerk voor vrijgestelde hoeveelheden

3.5 EQ 1

Kenmerk voor vrijgestelde hoeveelheden

* Het nummer van het eerste of het enige gevaarsetiket aangegeven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 moet op deze plaats zijn aangegeven.

** De naam van de afzender of de geadresseerde moet op deze plaats zijn aangegeven indien deze niet elders op het collo is te zien.

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant. De arcering en het symbool moeten dezelfde kleur hebben (zwart of rood) en zijn aangebracht op een witte of geschikte contrasterende achtergrond. De minimale afmetingen zijn 100 mm x 100 mm. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.5.4.3

Gebruik van oververpakkingen
Voor een oververpakking die gevaarlijke goederen bevat verpakt in vrijgestelde hoeveelheden, geldt het volgende:

Tenzij de kenmerken representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking:

  • de aanduiding “OVERVERPAKKING” bevatten. De letters van het woord “OVERVERPAKKING” moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en
  • zijn gekenmerkt met de kenmerken vereist volgens dit hoofdstuk.

De overige bepalingen van 5.1.2.1 zijn alleen van toepassing indien de oververpakking andere gevaarlijke goederen bevat die niet verpakt zijn in vrijgestelde hoeveelheden en dan slechts in verband met deze andere gevaarlijke goederen.

 

3.5.5

Hoogste aantal colli in een voertuig of container
Het aantal colli in een voertuig of container mag 1000 niet overschrijden.

 

3.5.6

Documentatie
Indien een document of documenten (zoals een cognossement, een luchtvrachtbrief of een CMR/CIM-vrachtbrief) bij de gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden aanwezig is/zijn, moet in ten minste één van deze documenten de verklaring "GEVAARLIJKE GOEDEREN IN VRIJGESTELDE HOEVEELHEDEN" en het aantal colli zijn opgenomen.

 

BENAMING / BESCHRIJVING (KOLOM 2)

Dutch

Dutch

HOUDERS, KLEIN, MET GAS (GASPATRONEN), zonder aftapinrichting, niet hervulbaar

English

English

RECEPTACLES, SMALL, CONTAINING GAS (GAS CARTRIDGES) without a release device, non-refillable

German

German

GEFÄSSE, KLEIN, MIT GAS (GASPATRONEN), ohne Entnahmeeinrichtung, nicht nachfüllbar

French

French

RÉCIPIENTS DE FAIBLE CAPACITÉ CONTENANT DU GAZ (CARTOUCHES À GAZ) sans dispositif de détente, non rechargeables

VOORGESCHREVEN ETIKETTEN (KOLOM 5)

    HOOFDSTUK 3.3 - BIJZONDERE BEPALINGEN- KOLOM 6

    • 3.3.1 : Bijzondere bepaling 191
      Houders, klein met een inhoud van ten hoogste 50 ml die alleen niet giftige bestanddelen bevatten, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

       

       

       

       

       

       

    • 3.3.1 : Bijzondere bepaling 303
      De houders moeten worden ingedeeld in de classificatiecode van het zich daarin bevindende gas of gasmengsel, vastgesteld in overeenstemming met de voorschriften van 2.2.2.
    • 3.3.1 : Bijzondere bepaling 327
      Spuitbussen en gaspatronen als afval, die overeenkomstig 5.4.1.1.3 worden verzonden, mogen als UN 1950 of als UN 2037 worden vervoerd, al naar gelang van toepassing, voor doeleinden van recycling of verwijdering.

      Zij hoeven niet tegen beweging en onbedoeld uitstromen van gas te zijn beschermd, onder voorwaarde dat er maatregelen zijn getroffen om gevaarlijke drukverhoging en vorming van een gevaarlijke atmosfeer te verhinderen. 

      Spuitbussen als afval, met uitzondering van die welke lekken of sterk vervormd zijn, moeten overeenkomstig verpakkingsinstructie P207 en bijzondere verpakkingsinstructie PP 87 of verpakkingsinstructie LP 200 en bijzondere verpakkingsinstructie L2 zijn verpakt.

      Gaspatronen als afval, met uitzondering van die welke lekken of sterk vervormd zijn, moeten overeenkomstig verpakkingsinstructie P003 en bijzondere bepalingen PP17 en PP96 of verpakkingsinstructie LP200 en bijzondere bepaling L2 worden verpakt.

      Lekkende of sterk vervormde spuitbussen en gaspatronen als afval moeten in bergingsdrukhouders of bergingsverpakkingen worden vervoerd, onder voorwaarde dat er geschikte maatregelen zijn getroffen om te garanderen dat er geen sprake is van een gevaarlijke drukopbouw.

      Opmerking: In geval van vervoer over zee mogen spuitbussen en gaspatronen als afval niet in gesloten containers worden vervoerd.

      Gaspatronen als afval die waren gevuld met niet-brandbare, niet-giftige gassen van Klasse 2, groep A of O en die doorboord zijn, vallen niet onder het ADR.

      .

       

    • 3.3.1 : Bijzondere bepaling 344
      Aan de bepalingen van 6.2.6 moet worden voldaan.

       


    HOOFDSTUK 4.1.4 - VERPAKKINGSINSTRUCTIES & BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 8 & 9A
    P003 & BIJZONDERE BEPALINGEN PP17, PP96 & RR6

    VERPAKKINGSINSTRUCTIE P003

    P003           VERPAKKINGSINSTRUCTIE                   P003

    Gevaarlijke goederen moeten worden geplaatst in geschikte buitenverpakkingen. De verpakkingen moeten voldoen aan de voorschriften van 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4, 4.1.1.8 en 4.1.3 en dusdanig worden ontworpen dat zij voldoen aan de  constructievoorschriften van 6.1.4.

    Er  moeten buitenverpakkingen worden gebruikt, die  zijn  vervaardigd van geschikt materiaal en van voldoende sterkte en ontwerp in relatie tot de inhoud van de verpakking en haar beoogde gebruik.  

    Voor zover deze verpakkingsinstructie wordt gebruikt voor het vervoer van voorwerpen of binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen moet de verpakking zodanig worden  ontworpen  en geconstrueerd dat onopzettelijke ontlading van voorwerpen onder normale vervoersomstandigheden verhinderd wordt.

    Bijzondere verpakkingsvoorschriften:
    PP16 Voor UN-nummer  2800 moeten accumulatoren (batterijen) tegen kortsluiting zijn beschermd en veilig zijn verpakt in sterke buitenverpakkingen.

    Opmerking 1: Accumulatoren van het gesloten type, die voor het functioneren van een mechanisch of elektronisch apparaat nodig zijn en daarvan een integrerend bestanddeel vormen, moeten in de batterijhouder van het apparaat stevig bevestigd zijn en tegen beschadigingen en kortsluiting beschermd zijn.

    Opmerking 2: Voor gebruikte accumulatoren (UN-nummer 2800), zie verpakkingsinstructie P801.

    PP17   Voor UN-nummer 2037 mag de netto massa van colli 55 kg niet overschrijden in het geval van verpakkingen van karton of 125 kg in het geval van andere verpakkingen.

    PP19   Voor de UN-nummers 1364 en 1365, is vervoer als balen toegestaan.

    PP20   Voor de UN-nummers 1363, 1386, 1408 en 2793 mag elke stofdichte, scheurvaste houder worden gebruikt.

    PP32   De  UN-nummers  2857 en 3358 en stevige voorwerpen onder UN 3164 mogen onverpakt in kratten of in geschikte oververpakkingen worden vervoerd.
    Opmerking: De toegestane verpakking mag een netto massa van 400 kg. overschrijden (zie 4.1.3.3).

    PP87   (Geschrapt)

    PP88   (Geschrapt)

    PP90   Voor UN-nummer 3506 moet gebruik worden gemaakt van gesloten binnenbekledingen of zakken van sterk, vloeistofdicht en tegen perforatie bestand materiaal die ondoordringbaar zijn voor kwik en die, ongeacht de positie of stand van het collo, het wegvloeien van de stof uit het collo verhinderen.

    PP91   Voor UN-nummer  1044  mogen grote  brandblusapparaten ook onverpakt worden  vervoerd mits  aan de voorwaarden van 4.1.3.8.1 (a) tot en met (e) is voldaan, de afsluiters op basis van een van de in 4.1.6.8 (a) tot en met  (d) genoemde methoden worden beschermd en overige op het brandblusapparaat bevestigde apparatuur zodanig  is beschermd  dat  het  apparaat  niet  onbedoeld  kan  worden  geactiveerd.  Voor de doeleinden van dit bijzondere verpakkingsvoorschrift wordt onder “grote brandblusapparaten” verstaan de brandblusapparaten beschreven onder (c) tot en met (e) van bijzondere bepaling 225 van hoofdstuk 3.3.

    PP96  Voor  UN  2037,  HOUDERS,  KLEIN,  MET  GAS  (GASPATRONEN)  die  vervoerd  worden  als  afval  in overeenstemming met bepaling 327 uit hoofdstuk 3.3 moet de verpakking voldoende geventileerd worden ter voorkoming van gevaarlijke concentraties in de atmosfeer of van gevaarlijke opbouw van druk.

    Bijzondere verpakkingsvoorschriften, specifiek voor RID en ADR:

    RR6 In het geval van UN-nummer 2037 mogen metalen voorwerpen bij vervoer als wagenlading ook als volgt zijn verpakt:

    de voorwerpen moeten tot eenheden op trays zijn bijeengebracht en op hun plaats worden gehouden met een omhulsel van een geschikte kunststof; deze eenheden moeten worden gestapeld en op geschikte wijze worden vastgezet op pallets.

    RR9 Voor UN-nummer 3509 hoeft de verpakking niet te voldoen aan de vereisten van 4.1.1.3.

    De  te  gebruiken verpakkingen voldoen aan de vereisten van 6.1.4 en zijn  lekdicht of  uitgerust met  een lekdichte en tegen perforatie bestendige binnenbekleding of zak.

    Als die verpakkingen uitsluitend resten van vaste stoffen bevatten die bij de tijdens het vervoer te verwachten temperaturen niet vloeibaar kunnen worden, mogen flexibele verpakkingen worden gebruikt.

    Als sprake is van vloeibare resten moeten stijve verpakkingen worden gebruikt waarin de vloeistof kan worden vasthouden (bv. met absorberend materiaal).

    Vóór het vullen en ten vervoer aanbieden moet elke verpakking worden gecontroleerd en worden vastgesteld dat er  geen corrosie, verontreiniging of andersoortige schade aanwezig is.

    Elke  verpakking die  tekenen vertoont van verminderde bestendigheid mag niet meer worden gebruikt (waarbij kleine deukjes en krasjes niet worden geacht de bestendigheid van de verpakking te verminderen).

    Verpakkingen bedoeld voor het vervoer van afgedankte verpakkingen, leeg, ongereinigd met resten van klasse 5.1 moeten zodanig zijn geconstrueerd of aangepast dat de goederen niet in contact kunnen komen met hout of enig ander brandbaar materiaal.

    LP200 & BIJZONDERE BEPALING L2

    VERPAKKINGSINSTRUCTIE LP200

    LP200 1


    HOOFDSTUK 4.1.10 - BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN VOOR GEZAMELIJKE VERPAKKING - KOLOM 9B
    • Bepaling MP 9

      Mag gezamenlijk worden verpakt in een buitenverpakking voor samengestelde verpakkingen volgens 6.1.4.21:

      • met andere goederen van klasse 2;
      • met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor goederen van deze klassen is toegestaan; of
      • met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR,

      onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.


    HOOFDSTUK 4.2.5.2 & 7.3.2 - TRANSPORTTANKS EN BULKCONTAINERS - INSTRUCTIES - KOLOM 10
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 10 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 4.2.5.3 - TRANSPORTTANKS & BULKCONTAINERS - BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 11
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 11 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 4.3 - TANKCODE - KOLOM 12
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 12 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 4.3.5 & 6.8.4 - BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 13
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 13 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 9.1.1.2 - VOERTUIG TANKVERVOER - KOLOM 14
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 14 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 1.1.3.6 & 8.6 - VERVOERSCATEGORIE & TUNNELBEPERKING - KOLOM 15

    VERVOERS CATEGORIE
    2

    1000 PUNTEN TABEL
    MAX 333 KG / LTR

    1.1.3.6 - VRIJSTELLINGEN / 1000 PUNTEN TABEL

    1.1.3.6  Vrijstellingen in samenhang met de vervoerde hoeveelheden per transporteenheid

    1.1.3.6.1
    Voor de toepassing van deze subsectie zijn gevaarlijke goederen ingedeeld in vervoerscategorieën 0, 1, 2, 3 of 4, zoals aangegeven in kolom (15) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Lege ongereinigde verpakkingen die stoffen hebben bevat, welke zijn ingedeeld in vervoerscategorie “0”, worden ook ingedeeld in vervoerscategorie “0”. Lege ongereinigde verpakkingen die stoffen hebben bevat, welke zijn ingedeeld in andere vervoerscategorie dan “0”, worden ingedeeld in vervoerscategorie “4”.

    1.1.3.6.2
    Indien de hoeveelheid gevaarlijke goederen die met een transporteenheid vervoerd wordt, de in kolom (3) van de tabel van 1.1.3.6.3 aangegeven waarden niet overschrijdt voor een bepaalde vervoerscategorie (indien de gevaarlijke goederen die in de transporteenheid worden vervoerd, tot dezelfde categorie behoren), of de waarde, berekend overeenkomstig 1.1.3.6.4 (indien de gevaarlijke goederen die in de transporteenheid worden vervoerd, tot verschillende vervoerscategorieën behoren), niet overschrijdt, mogen zij worden vervoerd in colli in één transporteenheid zonder toepassing van de volgende bepalingen:

    • Hoofdstuk 1.10, behalve voor gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel van klasse 1 (overeenkomstig 1.10.3.1) en behalve voor vrijgestelde colli van klasse 7 van UN-nummers 2910 en 2911, indien het activiteitsniveau de A2-waarde overschrijdt;
    • Hoofdstuk 5.3;
    • Sectie 5.4.3;
    • Hoofdstuk 7.2, met uitzondering van V5 en V8 van 7.2.4;
    • CV1 van 7.5.11;
    • Deel 8, met uitzondering van:
    • 8.1.2.1 a),
    • 8.1.4.2 t/m 8.1.4.5,
    • 8.2.3,
    • 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5,
    • hoofdstuk 8.4,
    • S1 (3) en (6),
      • S2 (1), S4,
      • S5,
      • S14 tot en met S21 en
      • S24 van hoofdstuk 8.5
    • Deel 9
    Vervoers- categorie
    (1)
    STOFFEN OF VOORWERPEN
    (VERPAKKINGSGROEP OF CLASSIFICATIECODE / -GROEP OF UN-NUMMER) (2)
    Hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid (3)b
    0

    Klasse 1:      1.1 A, 1.1 L, 1.2 L, 1.3 L en UN 0190

    Klasse 3:      UN 3343

    Klasse 4.2:   stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I

    Klasse 4.3:   UN 1183, 1242, 1295, 1340, 1390, 1403, 1928, 2813, 2965, 2968,2988, 3129, 3130, 3131, 3132, 3134, 3148, 3396, 3398 en 3399

    Klasse 5.1:   UN 2426

    Klasse 6.1:   UN 1051, 1600, 1613, 1614, 2312, 3250 en 3294

    Klasse 6.2:   UN 2814, 2900 en 3549

    Klasse 7:      UN 2912 t/m 2919, 2977, 2978 en 3321 t/m 3333

    Klasse 8:      UN 2215 (MALEÏNEZUURANHYDRIDE, GESMOLTEN)

    Klasse 9:      UN 2315, 3151, 3152 en 3432, alsmede voorwerpen die deze stoffen of mengsels bevatten,
    alsmede ongereinigde lege verpakkingen die stoffen van deze vervoerscategorie
    hebben bevat, met uitzondering van verpakkingen die onder UN-nummer 2908 zijn ingedeeld

    0
    1

    Stoffen en voorwerpen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I en niet onder vervoerscategorie 0 vallen, alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 1:   1.1 B t/m 1.1 Ja, 1.2 B t/m 1.2 J, 1.3 C, 1.3 G, 1.3 H, 1.3 J en 1.5 Da

    Klasse 2:    Groepen T, TCa, TO, TF, TOCa en TFC
    Spuitbussen: groepen C, CO, FC, T, TF, TC, TO, TFC en TOC Chemische stoffen onder druk: UN 3502, 3503, 3504 en 3505

    Klasse 4.1:   UN 3221 t/m 3224, 3231 t/m 3240, 3533 en 3534

    Klasse 5.2:   UN 3101 t/m 3104 en 3111 t/m 3120

    20
    2

    Stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep II en die niet onder vervoerscategorie 0, 1 of 4 vallen,
    alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 1:       1.4 B t/m 1.4 G en 1.6 N

    Klasse 2:       Groep F

    Spuitbussen: groep F

    Chemische stoffen onder druk: UN 3501

    Klasse 4.1:    UN 3225 t/m 3230, 3531 en 3532

    Klasse 4.3 :    UN 3292

    Klasse 5.1 :    UN 3356

    Klasse 5.2:    UN 3105 t/m 3110

    Klasse 6.1:    UN 1700, 2016 en 2017 en stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III

    Klasse 6.2:    UN 3291

    Klasse 9:     UN 3090, 3091, 3245, 3480, 3481 en 3536

    333
    3

    Stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III en die niet onder vervoerscategorie 0, 2 of 4 vallen,
    alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 2:       Groepen A en O

    Spuitbussen: groepen A en O

    Chemische stoffen onder druk: UN 3500

    Klasse 3:       UN 3473

    Klasse 4.3:    UN 3476

    Klasse 8:       UN 2794, 2795, 2800, 3028, 3477 en 3506

    Klasse 9:       UN 2990 en 3072

    1000
    4 Klasse 1:      1.4 S

    Klasse 2:     UN 3537 t/m 3539

    Klasse 3:     UN 3540

    Klasse 4.1:   UN 1331, 1345, 1944, 1945, 2254, 2623 en 3541

    Klasse 4.2:   UN 1361 en 1362 van verpakkingsgroep III en UN 3542

    Klasse 4.3:   UN 3543

    Klasse 5.1:   UN 3544

    Klasse 5.2:   UN 3545

    Klasse 6.1:   UN 3546

    Klasse 7:      UN 2908 t/m 2911

    Klasse 8:      UN 3547

    Klasse 9:      UN 3268, 3499, 3508, 3509 en 3548
    alsmede ongereinigde lege verpakkingen, die gevaarlijke goederen hebben bevat,
    met uitzondering van die welke onder de vervoerscategorie 0 vallen.
    onbeperkt

     

    1. Voor de UN-nummers 0081, 0082, 0084, 0241, 0331, 0332, 0482, 1005 en 1017 bedraagt de hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid 50kg
    2. De hoogst toelaatbare totale hoeveelheid voor elke vervoerscategorie komt overeen met een berekende waarde van “1000” (zie ook 1.1.3.6.4)

    In de bovenstaande tabel wordt onder “hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid” verstaan:

    • voor voorwerpen, de totale massa in kilogrammen van de voorwerpen zonder hun verpakkingen (voor voorwerpen van klasse 1, netto massa van de ontplofbare stof in kg; voor gevaarlijke stoffen in machines en uitrustingen, zoals omschreven in deze Bijlage, de totale hoeveelheid daarin aanwezige gevaarlijke stoffen in kilogram resp. liter);
    • voor vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen, sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen en opgeloste gassen, de netto massa in kilogrammen;
    • voor vloeistoffen, de totale hoeveelheid gevaarlijke goederen in liters;
    • voor gecomprimeerde gassen, geadsorbeerde gassen en chemische stoffen onder druk, de waterinhoud van de houder in liters.

    1.1.3.6.4
    Indien gevaarlijke goederen die behoren tot verschillende vervoerscategorieën, in dezelfde transporteenheid worden vervoerd, mag de som van

    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 1, vermenigvuldigd met 50,
    • de hoeveelheid van de in voetnoot a) bij de tabel in 1.1.3.6.3 opgesomde stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 1, vermenigvuldigd met 20,
    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 2, vermenigvuldigd met 3, en
    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 3,

    een berekende waarde van 1000 niet overschrijden.

    1.1.3.6.5
    Voor de toepassing van deze subsectie wordt geen rekening gehouden met gevaarlijke goederen die overeenkomstig 1.1.3.1 (a), en (d) t/m (f), 1.1.3.2 t/m 1.1.3.5, 1.1.3.7, 1.1.3.9 en 1.1.3.10 vrijgesteld zijn

     

    TUNNEL CODE : D
    Code voor  beperking in tunnels voor de gehele lading Beperking
    B Doorgang verboden door tunnels van de categorie B, C, D en E.
    B1000C

    Vervoer waarbij de totale netto massa ontplofbare stof per transporteenheid

    • 1000 kg overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van de categorie B, C, D en E;
    • 1000 kg niet overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van de categorie C, D en E
    B/D Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie B, C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
    B/E Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie B, C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E
    C Doorgang verbo den door tunnels van categorie C, D en E
    C5000D

    Vervoer waarbij de totale netto massa ontplofbare stof per transporteenheid

    • 5000 kg overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;
    • 5000 kg niet overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van
      categorie D en E
    C/D

    Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E

    C/E

    Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E

    D Doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
    D/E Los gestort vervoer of vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E
    E Doorgang verbo den door tunnels van categorie E
    - Doorgang toegestaan door alle tunnels (Zie voor de UN-nummers 2919 en 3331 ook 8.6.3.1).
    •  
       
      • Roertunnel
      • Schipholtunnel
      • Swalmentunnel
      • Leidsche Rijntunnel
      • Willem-Alexandertunnel.
    •  

       

      • Beneluxtunnel
      • Coentunnel
      • Drechttunnel
      • Ketheltunnel
      • Kiltunnel
      • Noordtunnel
      • Sluiskiltunnel
      • Salland-Twentetunnel
      • Sytwendetunnel
      • Thomassentunnel
      • Vlaketunnel
      • Waterwolftunnel
      • Westerscheldetunnel
      • Wijkertunnel
      • Zeeburgertunnel.
      • Zelzate tunnel (Belgie)

    •  
       
      • Botlektunnel
      • Heinenoordtunnel
      • Hubertustunnel
      • IJtunnel
      • Koningstunnel
      • Maasboulevardtunnel
      • Maastunnel
      • Piet Heintunnel
      • Velsertunnel
      • Michiel de Ruijtertunnel.  
      • Kennedytunnel (Belgie)
      • Tunnel van Cointe (Belgie)
    •  
       
      • Arenatunnel
      • Stadsbaantunnel. 
      • Waaslandtunnel (Belgie)
      • Hoge Mouwtunnel (Belgie)
      • De Bond Leuven (Belgie)
      • Vierarmen (Belgie
      • Tunnel onder 't Zand (Belgie)
      • Tunnels van de kleine ring Brussel stad
      • Van Praettunnel (Belgie)
      • Navo tunnel (Belgie)

    HOOFDSTUK 7.2.4 - BIJZ. BEP. VERVOER - COLLI - KOLOM 16
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 16 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 7.3.3 - BIJZ. BEP. VERVOER - LOS GESTORT - KOLOM 17
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 17 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 7.5.11 - BIJZ. BEP. VERVOER - LADEN, LOSSEN, BEHANDELING - KOLOM 18
    • Bijzondere bepaling CV 09

      Men mag niet met de colli gooien of deze aan schokken blootstellen.
      De houders moeten zodanig in het voertuig of de container worden gestuwd, dat zij niet kunnen kantelen of vallen.

    • Bijzondere bepaling CV 12

      Indien pallets, geladen met voorwerpen, worden gestapeld, moet elke laag pallets gelijkmatig worden verdeeld over de laag eronder, zonodig door tussenplaatsing van een materiaal van voldoende sterkte.

    HOOFDSTUK 8.5 - BIJZ. BEP. VERVOER - BEDRIJF - KOLOM 19
    • Bijzondere bepaling S 02

      Aanvullende voorschriften inzake het vervoer van brandbare vloeistoffen of gassen

      1. Draagbare verlichtingsapparatuur
        Het laadcompartiment van gesloten voertuigen die vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 60 oC of brandbare stoffen of voorwerpen van klasse 2 vervoeren, mogen niet worden binnengegaan door personen met draagbare verlichtingsapparatuur behalve die zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij brandbare dampen of gassen die tot in het voertuig kunnen zijn doorgedrongen, niet kunnen ontsteken.
      2. Het in bedrijf hebben van verwarmingssystemen op brandstof tijdens laden of lossen
        Het in bedrijf hebben van verwarmingssystemen op brandstof, van FL-voertuigen (zie deel 9) is tijdens laden en lossen en op laadplaatsen verboden.
      3. Voorzorgsmaatregelen tegen elektrostatische ladingen
        Indien het FL-voertuigen betreft (zie deel 9) moet een goede elektrische verbinding tussen het voertuigchassis en de aarde worden gemaakt voordat tanks worden gevuld of geledigd. Bovendien dient de vulsnelheid te worden beperkt.