Skip to main content

UN NUMMER 1294

VERPAKKINGSGROEP
II

Zeer brandbare vloeistof (vlampunt lager dan 23 °C)
ADR KOLOMMEN 1, 2, 7A, 7B
ADR KLASSE 3 - BRANDBARE VLOEISTOFFEN

Klasse 3 - Brandbare vloeistoffen

De titel van klasse 3 omvat stoffen, alsmede voorwerpen die stoffen van deze klasse bevatten, die:

  1. vloeistoffen zijn overeenkomstig onderdeel a) van de definitie "vloeistof" in 1.2.1,
  2. bij 50O C een dampdruk hebben van ten hoogste 300 kPa (3 bar) en bij 20O C en een standaarddruk van 101,3 kPa niet volledig gasvormig zijn, en
  3. een vlampunt hebben van ten hoogste 60O C (zie 2.3.3.1 voor de betreffende beproeving).

De titel van klasse 3 omvat tevens brandbare vloeistoffen en vaste stoffen in gesmolten toestand, met een vlampunt hoger dan 60O C, die bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan hun vlampunt verwarmd vervoerd of ten vervoer aangeboden worden. Deze stoffen zijn ingedeeld onder UN-nummer 3256. (1,2)

De titel van klasse 3 omvat ook vloeibare ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand. Vloeibare ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zijn ontplofbare stoffen die zijn opgelost of gesuspendeerd in water of andere vloeistoffen, zodat een homogeen vloeibaar mengsel ontstaat, met het doel hun explosieve eigenschappen te onderdrukken. Dergelijke posities in tabel A van hoofdstuk 3.2 zijn UN-nummers 1204, 2059 (1,2,3,4), 3064, 3343, 3357 en 3379.

Opmerking 1: Stoffen met een vlampunt hoger dan 35O C, die geen verbranding onderhouden volgens de criteria van het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 32.2.5, zijn geen stoffen van klasse 3; indien deze stoffen echter bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan hun vlampunt verwarmd vervoerd of ten vervoer aangeboden worden, zijn zij wel stoffen van klasse 3.

Opmerking 2: In afwijking van 2.2.3.1.1 zijn dieselolie, gasolie of lichte stookolie, met inbegrip van synthetisch vervaardigde producten, met een vlampunt hoger dan 600 C en ten hoogste 1000 C stoffen van klasse 3, UN-nummer 1202.

Opmerking 3: Brandbare vloeistoffen die zeer giftig zijn bij inademen, zoals gedefinieerd in 2.2.61.1.4 t/m 2.2.61.1.9, en giftige stoffen met een vlampunt van 230 C of hoger zijn stoffen van klasse 6.1 (zie 2.2.61.1). Vloeistoffen die zeer giftig zijn bij inademen worden aangeduid als "bij inademen giftig" in hun juiste vervoersnaam in kolom (2) of met bijzondere bepaling 354 in kolom (6) van tabel A van hoofdstuk 3.2.

Opmerking 4: Brandbare vloeistoffen en vloeibare preparaten die gebruikt worden als pesticide, en die zeer giftig, giftig of zwak giftig zijn, met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 23 oC, zijn stoffen van klasse 6.1 (zie 2.2.61.1).

Voor de volledige omschrijving van klasse 3 in hoofdstuk 2.2.3 van het ADR klik HIER.

 

CLASSIFICATIECODE F1

F1
Brandbare vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 60o C

LIMITED QUANTITIES : 1 LITER

3.4.1

In dit hoofdstuk zijn de voorwaarden opgenomen van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen van bepaalde klassen in gelimiteerde hoeveelheden. De beperkingen voor de hoeveelheden van toepassing per binnenverpakking of voorwerp, zijn voor elke stof aangegeven in kolom (7a) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Bovendien is de hoeveelheid “0” aangegeven in deze kolom voor alle posities die niet ter vervoer overeenkomstig dit hoofdstuk zijn toegelaten.
Gelimiteerde hoeveelheden gevaarlijke goederen die in dergelijke gelimiteerde hoeveelheden verpakt zijn, die voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn niet onderworpen aan enige andere bepalingen van het ADR, met uitzondering van de desbetreffende bepalingen van:

  1. Deel 1, hoofdstukken 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.8, 1.9;
  2. Deel 2;
  3. Deel 3, hoofdstukken 3.1, 3.2, 3.3 [behalve bijzondere bepalingen 61, 178, 181, 220, 274, 625, 633 en 650 e)];
  4. Deel 4, paragrafen 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8;
  5. Deel 5, 5.1.2.1 a) i) en b), 5.1.2.2, 5.1.2.3, 5.2.1.10, 5.4.2;
  6. Deel 6, constructievoorschriften van 6.1.4 en paragrafen 6.2.5.1 en 6.2.6.1 t/m 6.2.6.3;
  7. Deel 7, hoofdstuk 7.1 en 7.2.1, 7.2.2, 7.5.1 (behalve 7.5.1.4), 7.5.2.4, 7.5.7, 7.5.8 en 7.5.9;
  8. 8.6.3.3 en 8.6.4.

 

3.4.2

Gevaarlijke goederen mogen uitsluitend zijn verpakt in binnenverpakkingen die in geschikte buitenverpakkingen zijn geplaatst.

Er mogen tussenverpakkingen worden gebruikt. Verder moet voor voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S, volledig worden voldaan aan de voorschriften van sectie 4.1.5. Het gebruik van binnenverpakkingen is niet noodzakelijk voor het vervoer van voorwerpen zoals spuitbussen of “houders, klein, met gas”.

De totale bruto massa van het collo mag 30 kg niet overschrijden.

 

3.4.3

Behalve voor voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn trays omwikkeld met krimp- of rekfolie, die voldoen aan de voorwaarden van 4.1.1.1, 4.1.1.2 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8, aanvaardbaar als buitenverpakking voor voorwerpen of binnenverpakkingen die gevaarlijke goederen bevatten, vervoerd overeenkomstig dit hoofdstuk. Binnenverpakkingen die gemakkelijk kunnen breken of worden doorboord, zoals die welke zijn vervaardigd van glas, porselein, aardewerk of bepaalde kunststoffen, moeten in geschikte tussenverpakkingen worden geplaatst die voldoen aan de bepalingen van 4.1.1.1, 4.1.1.2 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8 en zodanig zijn ontworpen dat zij voldoen aan de constructievoorschriften van 6.1.4. De totale bruto massa van het collo mag 20 kg niet overschrijden.

 

3.4.4

Vloeibare goederen van klasse 8, verpakkingsgroep II in binnenverpakkingen van glas, porselein of aardewerk moeten zijn omhuld in een inerte en stijve tussenverpakking.

 

3.4.5

Gereserveerd

3.4.6

Gereserveerd

3.4.7

Kenmerking van colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten

3.4.7.1

Colli die gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden bevatten, moeten – behalve bij vervoer door de lucht – zijn voorzien van het in figuur 3.4.7.1 afgebeelde kenmerk:

3.4 LQ 1

Figuur 3.4.7.1 - Kenmerk voor colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten

Het kenmerk moet duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn en in staat zijn blootstelling aan weer en wind te weerstaan zonder een wezenlijke vermindering van de doeltreffendheid.

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). De bovenste en onderste gedeelten en de omringende lijn moeten zwart zijn. Het middelste gebied moet wit of een geschikte contrasterende achtergrond zijn. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimale dikte van de lijn die de ruit vormt moet 2 mm zijn. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.4.7.2

Indien de grootte van het collo dit vereist, mogen de minimale buitenafmetingen zoals getoond in figuur 3.4.7.1 worden verkleind, met als ondergrens 50 mm x 50 mm, onder voorwaarde dat het kenmerk duidelijk zichtbaar blijft. De minimale dikte van de lijn die de ruit vormt mag worden teruggebracht tot een minimum van 1 mm.

 

3.4.8

Kenmerking van colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten conform deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO

3.4.8.1

Colli die gevaarlijke goederen bevatten verpakt in overeenstemming met de bepalingen van deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO mogen van het in figuur 3.4.8.1 afgebeelde kenmerk zijn voorzien ten bewijze dat aan deze bepalingen wordt voldaan:

3.4 LQ 2

Figuur 3.4.8.1 - Kenmerk voor colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten conform deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO

Het kenmerk moet duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn en in staat zijn blootstelling aan weer en wind te weerstaan zonder een wezenlijke vermindering van de doeltreffendheid

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). De bovenste en onderste gedeelten en de omringende lijn moeten zwart zijn. Het middelste gebied moet wit of een geschikte contrasterende achtergrond zijn. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimale dikte van de lijn die ruit vormt moet 2 mm zijn. Het symbool “Y” moet in het midden van het kenmerk zijn aangebracht en moet duidelijk zichtbaar zijn. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.4.8.2

Indien de grootte van het collo dit vereist, mogen de minimale buitenafmetingen zoals getoond in figuur 3.4.8.1 worden verkleind, met als ondergrens 50 mm x 50 mm, onder voorwaarde dat het kenmerk duidelijk zichtbaar blijft. De minimale dikte van de lijn die de ruit vormt mag worden teruggebracht tot een minimum van 1 mm. Het symbool "Y" moet bij benadering in verhouding blijven tot het symbool "Y" in figuur 3.4.8.1.

 

3.4.9

Colli die gevaarlijke goederen bevatten en die zijn voorzien van het kenmerk getoond in 3.4.8 met of zonder de aanvullende etiketten en kenmerken voor vervoer door de lucht worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van sectie 3.4.1, naar gelang van toepassing, en van de secties 3.4.2 t/m 3.4.4 en hoeven niet te zijn voorzien van het kenmerk afgebeeld in 3.4.7.

 

3.4.10

Colli die gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden bevatten en die zijn voorzien van het in 3.4.7 getoonde kenmerk en voldoen aan de bepalingen van de Technische Instructies van de ICAO, met inbegrip van alle noodzakelijke kenmerken en etiketten zoals aangegeven in de delen 5 en 6, worden geacht te voldoen aan de bepalingen van sectie 3.4.1, naar gelang van toepassing, en van de secties 3.4.2 t/m 3.4.4.

 

3.4.11

Gebruik van oververpakkingen
Voor een oververpakking die gevaarlijke goederen bevat verpakt in gelimiteerde hoeveelheden, geldt het volgende:

Tenzij de kenmerken representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking:

  • de aanduiding “OVERVERPAKKING” bevatten. De letters van het woord “OVERVERPAKKING” moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en
  • zijn gekenmerkt met de kenmerken vereist volgens dit hoofdstuk.

Behalve bij vervoer door de lucht zijn de overige bepalingen van 5.1.2.1 alleen van toepassing indien de oververpakking andere gevaarlijke stoffen bevat die niet verpakt zijn in gelimiteerde hoeveelheden en dan slechts in verband met deze andere gevaarlijke goederen.

 

3.4.12

Afzenders van gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden moeten voorafgaand aan het vervoer aan de vervoerder de totale bruto massa van dergelijke te verzenden goederen op aantoonbare wijze meedelen.

 

3.4.13

  1. Transporteenheden met een maximale massa van meer dan 12 ton die gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden vervoeren, moeten overeenkomstig 3.4.15 aan de voorzijde en de achterzijde van merktekens zijn voorzien, behalve indien de transporteenheid andere gevaarlijke goederen bevat waarvoor een kenmerking met oranje borden overeenkomstig 5.3.2 vereist is.

    Is dat laatste het geval, dan mag ofwel alleen de vereiste kenmerking met oranje borden ofwel zowel de kenmerking met oranje borden overeenkomstig 5.3.2 als de merktekens overeenkomstig 3.4.15 op de transporteenheid weergegeven zijn.

  2. Containers waarin gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd op transporteenheden met een maximale massa van meer dan 12 ton, moeten overeenkomstig 3.4.15 aan alle vier de zijden van merktekens zijn voorzien, behalve indien de container andere gevaarlijke goederen bevat waarvoor het aanbrengen van grote etiketten overeenkomstig 5.3.1 vereist is. Is dat laatste het geval, dan mogen ofwel alleen de vereiste grote etiketten ofwel zowel de grote etiketten overeenkomstig 5.3.1 als de merktekens overeenkomstig 3.4.15 op de container weergegeven zijn.
    De dragende transporteenheid hoeft niet van merktekens te zijn voorzien, behalve indien de merktekens die op de containers zijn aangebracht van buiten deze dragende transporteenheid niet zichtbaar zijn.

    In het laatste geval moet dezelfde kenmerking zijn aangebracht aan de voorzijde en de achterzijde van de transporteenheid.

 

3.4.14

Van de merktekens aangegeven in 3.4.13 kan worden afgezien indien de totale bruto massa van de vervoerde colli, die gevaarlijke goederen bevatten, verpakt in gelimiteerde hoeveelheden, 8 ton per transporteenheid niet overschrijdt.

 

3.4.15

De merktekens gespecificeerd in 3.4.13 moeten overeenkomen met die welke is voorgeschreven in 3.4.7, behalve dat de afmetingen ten minste 250 mm x 250 mm moeten bedragen. Deze merktekens moeten zijn verwijderd of afgedekt indien geen gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd.

 

EXCEPTED QUANTITIES : E2

3.5.1

Vrijgestelde hoeveelheden

3.5.1.1

Vrijgestelde hoeveelheden van gevaarlijke goederen van bepaalde klassen - met uitzondering van voorwerpen - die aan de bepalingen van dit hoofdstuk voldoen, zijn aan geen enkele andere bepaling van het ADR onderworpen, behalve aan:

  1. de voorschriften voor de opleiding in hoofdstuk 1.3;
  2. de procedures voor de classificatie en de criteria voor de verpakkingsgroepen in deel 2;
  3. de verpakkingsvoorschriften van 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4 en 4.1.1.6.

Opmerking: In het geval van radioactieve stoffen zijn de voorschriften voor radioactieve stoffen in vrijgestelde colli in 1.7.1.5 van toepassing.

 

3.5.1.2

Gevaarlijke goederen die als vrijgestelde hoeveelheden mogen worden vervoerd overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn in kolom (7b) van tabel A van hoofdstuk 3.2 als volgt door een alfanumerieke code aangegeven:

Code  

Grootste netto hoeveelheid
per binnenverpakking

(in grammen voor vaste stoffen en in ml voor vloeistoffen en gassen)

Grootste netto hoeveelheid per buitenverpakking
(in grammen voor vaste stoffen en in ml voor vloeistoffen en gassen, of de som van grammen en ml in het geval van gezamenlijke verpakking)
E0 Niet toegestaan als vrijgestelde hoeveelheid
E1 30 1000
E2 30 500
E3 30 300
E4 1 500
E5 1 300

Bij gassen heeft het volume aangegeven voor binnenverpakkingen betrekking op de waterinhoud van de binnenhouder en het volume aangegeven voor buitenverpakkingen heeft betrekking op de gecombineerde waterinhoud van alle binnenverpakkingen binnen één enkele buitenverpakking.

 

3.5.1.3

Indien gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden, waaraan verschillende codes zijn toegekend, gezamenlijk zijn verpakt, moet de totale hoeveelheid per buitenverpakking zijn beperkt tot die welke overeenkomt de meest restrictieve code.

 

3.5.1.4

Vrijgestelde hoeveelheden van gevaarlijke goederen waaraan de codes E1, E2, E4 en E5 zijn toegekend, met een grootste netto hoeveelheid gevaarlijke goederen per binnenverpakking die voor vloeistoffen en gassen tot 1 ml en voor vaste stoffen tot 1 g beperkt is en een grootste netto hoeveelheid gevaarlijke goederen per buitenverpakking van ten hoogste 100 g voor vaste stoffen of 100 ml voor vloeistoffen en gassen, zijn alleen onderworpen aan:

  1. de voorschriften van 3.5.2, behalve dat geen tussenverpakking is vereist indien de binnenverpakkingen op zodanige wijze veilig in een buitenverpakking met opvulmateriaal zijn verpakt dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken of worden doorboord noch hun inhoud kunnen verliezen, en, voor vloeistoffen, indien de buitenverpakking een voldoende hoeveelheid absorberend materiaal bevat voor het opnemen van de totale inhoud van de binnenverpakkingen; en
  2. de voorschriften van 3.5.3

 

3.5.2

Verpakkingen
Verpakkingen, gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden, moeten in overeenstemming zijn met het volgende:

  1. Er moet een binnenverpakking zijn en elke binnenverpakking moet zijn vervaardigd van kunststof (met een minimumwanddikte van 0,2 mm bij gebruik voor vloeistoffen) of van glas, porselein, steengoed, aardewerk of metaal (zie ook 4.1.1.2) en de sluiting van elke binnenverpakking moet op veilige wijze zijn gefixeerd met draad, band of andere werkzame middelen; houders die een hals met gegoten schroefdraad hebben, moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte schroefdop. De sluiting moet bestand zijn tegen de inhoud;
  2. Elke binnenverpakking moet op veilige wijze zijn verpakt in een tussenverpakking met opvulmateriaal op een zodanige wijze, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken, worden doorboord of de inhoud verliezen. Bij vloeibare gevaarlijke goederen moet de tussen- of buitenverpakking genoeg absorberend materiaal bevatten om de volledige inhoud van de binnenverpakking te absorberen. Bij plaatsing in de tussenverpakking mag het absorberend materiaal het opvulmateriaal zijn. Gevaarlijke stoffen mogen niet gevaarlijk reageren met het opvulmateriaal, het absorberend materiaal en het materiaal van de verpakking of de ongeschonden staat of de functie van de materialen reduceren. Ongeacht de stand van de verpakking moet deze de inhoud volledig kunnen bevatten in geval van breuk of lekkage;
  3. De tussenverpakking moet op veilige wijze worden verpakt in een stevige, stijve buitenverpakking (hout, karton of een ander even stevig materiaal);
  4. Elk type collo moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van 3.5.3;
  5. Elk collo moet zo groot zijn dat er voldoende ruimte is voor het aanbrengen van alle noodzakelijke kenmerken; en
  6. Oververpakkingen mogen worden gebruikt en mogen ook colli met gevaarlijke goederen bevatten of goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

 

3.5.3

Beproevingen voor de colli

3.5.3.1

Het volledige collo als voor het vervoer gereed gemaakt, met binnenverpakkingen die in het geval van vaste stoffen tot ten minste 95 % van hun inhoud en in het geval van vloeistoffen tot ten minste 98 % van hun inhoud zijn gevuld, moeten in staat zijn, zoals aangetoond door beproevingen die op passende wijze zijn gedocumenteerd, zonder breuk of lekkage van een binnenverpakking en zonder aanmerkelijke vermindering van de doeltreffendheid te doorstaan:

  1. Valproeven op een op een star, niet veerkrachtig vlak en horizontaal oppervlak van een hoogte van 1,8 m:
    1. Indien het monster de vorm heeft van een kist of doos, moet de valproef worden uitgevoerd in alle volgende oriëntatierichtingen:
      • plat op de bodem;
      • plat op de bovenzijde;
      • plat op de langste zijde;
      • plat op de kortste zijde;
      • op een hoek;
    2. Indien het monster de vorm heeft van een vat moet de valproef worden uitgevoerd in alle volgende oriëntatierichtingen:
      • diagonaalsgewijs op de bovenrand met het zwaartepunt loodrecht boven het trefpunt;
      • diagonaalsgewijs op de bodemrand;
      • plat op de zijde;

        Opmerking: Elke hierboven genoemde valproef mag met verschillende doch identieke colli worden uitgevoerd.

  2. Een kracht die gedurende 24 uur op het bovenoppervlak wordt aangebracht en die overeenkomt met de totale massa van identieke colli, gestapeld tot een hoogte van 3 m (het monster inbegrepen).

 

3.5.3.2

Voor beproevingsdoeleinden mogen de stoffen die in de verpakking vervoerd zullen worden door andere stoffen worden vervangen behalve indien dit de resultaten van de beproevingen ongeldig zou maken. Indien in het geval van vaste stoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet deze dezelfde fysische eigenschappen (massa, korrelgrootte, etc.) bezitten als de te vervoeren stof.
Indien bij de valproef voor vloeistoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet de relatieve dichtheid en viscositeit daarvan vergelijkbaar zijn met die van de vervoeren stof.

 

3.5.4

Kenmerking van colli

3.5.4.1

Colli die vrijgestelde hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten, die overeenkomstig dit hoofdstuk gereedgemaakt zijn, moeten duurzaam en leesbaar van het kenmerk, afgebeeld in 3.5.4.2, zijn voorzien. Het eerste of het enige nummer van het gevaarsetiket, aangegeven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 van elk gevaarlijk goed dat zich in het collo bevindt moet worden vermeld op het kenmerk. Indien de naam van de afzender of geadresseerde niet elders op het collo is vermeld, moet deze informatie op het kenmerk worden opgenomen.

 

3.5.4.2

Kenmerk voor vrijgestelde hoeveelheden

3.5 EQ 1

Kenmerk voor vrijgestelde hoeveelheden

* Het nummer van het eerste of het enige gevaarsetiket aangegeven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 moet op deze plaats zijn aangegeven.

** De naam van de afzender of de geadresseerde moet op deze plaats zijn aangegeven indien deze niet elders op het collo is te zien.

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant. De arcering en het symbool moeten dezelfde kleur hebben (zwart of rood) en zijn aangebracht op een witte of geschikte contrasterende achtergrond. De minimale afmetingen zijn 100 mm x 100 mm. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.5.4.3

Gebruik van oververpakkingen
Voor een oververpakking die gevaarlijke goederen bevat verpakt in vrijgestelde hoeveelheden, geldt het volgende:

Tenzij de kenmerken representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking:

  • de aanduiding “OVERVERPAKKING” bevatten. De letters van het woord “OVERVERPAKKING” moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en
  • zijn gekenmerkt met de kenmerken vereist volgens dit hoofdstuk.

De overige bepalingen van 5.1.2.1 zijn alleen van toepassing indien de oververpakking andere gevaarlijke goederen bevat die niet verpakt zijn in vrijgestelde hoeveelheden en dan slechts in verband met deze andere gevaarlijke goederen.

 

3.5.5

Hoogste aantal colli in een voertuig of container
Het aantal colli in een voertuig of container mag 1000 niet overschrijden.

 

3.5.6

Documentatie
Indien een document of documenten (zoals een cognossement, een luchtvrachtbrief of een CMR/CIM-vrachtbrief) bij de gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden aanwezig is/zijn, moet in ten minste één van deze documenten de verklaring "GEVAARLIJKE GOEDEREN IN VRIJGESTELDE HOEVEELHEDEN" en het aantal colli zijn opgenomen.

 

BENAMING / BESCHRIJVING (KOLOM 2)

Dutch

Dutch

TOLUEEN

English

English

TOLUENE

German

German

TOLUEN

French

French

TOLUÈNE

VOORGESCHREVEN ETIKETTEN (KOLOM 5)

    HOOFDSTUK 3.3 - BIJZONDERE BEPALINGEN- KOLOM 6

    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 6 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 4.1.4 - VERPAKKINGSINSTRUCTIES & BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 8 & 9A
    P-001

    VERPAKKINGSINSTRUCTIE P001

    P001 VERPAKKINGSINSTRUCTIE (VLOEISTOFFEN) P001
    Samengestelde verpakkingen grootste inhoud / netto massa
    Zie 4.1.3.3
    Binnen
    verpakking
    buiten
    verpakkingen
    Verpakkingsgroep
    I
    Verpakkingsgroep
    II
    Verpakkingsgroep
    III
    Glas 10L      
    Kunstof 30L        
    Metaal 40L Vaten
                              staal (1A1, 1A2); 250 kg 400 kg 400 kg
    aluminium (1B1, 1B2); 250 kg 400 kg 400 kg
    ander metaal (1N1, 1N2); 250 kg 400 kg 400 kg
    kunststof (1H1, 1H2); 250 kg 400 kg 400 kg
    multiplex (1D); 150 kg 400 kg 400 kg
    karton (1G) 75 kg 400 kg 400 kg
        
    kisten of dozen  
    staal (4A) 250 kg 400 kg 400 kg
    aluminium (4B) 250 kg 400 kg 400 kg
    ander metaal (4N) 250 kg 400 kg 400 kg
    hout (4C1, 4C2) 150 kg 400 kg 400 kg
    multiplex (4D) 150 kg 400 kg 400 kg
    houtvezelmateriaal (4F) 75 kg 400 kg 400 kg
    karton (4G) 75 kg 400 kg 400 kg
    geëxpandeerde kunststof (4H1) 60 kg 60  kg 60  kg
    kunststof (4H2) 150 kg 400 kg 400 kg
        
    Jerrycans   
    staal (3A1, 3A2) 120 kg 120 kg 120 kg
    aluminium (3B1, 3B2)  120 kg 120 kg 120 kg
    Kunststof (3H1, 3H2) 120 kg 120 kg 120 kg
        
    Enkelvoudige verpakkingen:
    Vaten    
    staal, met niet-afneembaar deksel (1A1)  250 l  450 l 450 l
    staal, met afneembaar deksel (1A2)  250 l a  450 l 450 l
    aluminium, met niet-afneembaar deksel (1B1)  250 l  450 l 450 l
    aluminium, met afneembaar deksel (1B2)  250 l a  450 l 450 l
    metaal met uitzondering van staal of aluminium, met niet-afneembaar deksel (1N1)  250 l  450 l 450 l
    metaal met uitzondering van staal of aluminium, met afneembaar deksel (1N2)  250 l a  450 l 450 l
    kunststof, met niet-afneembaar deksel (1H1)  250 l  450 l 450 l
    kunststof, met afneembaar deksel (1H2)  250 l a  450 l 450 l
         
    Jerrycans
    staal, met niet-afneembaar deksel (3A1)       
    staal, met afneembaar deksel (3A2)  60 l 60 l  60 l 
    aluminium, met niet-afneembaar deksel (3B1)  60 l  60 l  60 l 
    aluminium, met afneembaar deksel (3B2)  60 l a  60 l  60 l 
    kunststof, met niet-afneembaar deksel (3H1)  60 l  60 l  60 l 
    kunststof, met afneembaar deksel (3H2)  60 l a  60 l  60 l 
    a Alleen stoffen met een viscositeit van meer dan 2680 mm2/s zijn toegestaan
    Combinatieverpakkingen 
    kunststof houder met als buitenverpakking een vat van staal, aluminium of kunststof (6HA1, 6HB1, 6HH1)  250 l 250 l 250 l
    kunststof houder met als buitenverpakking een vat van karton of multiplex (6HG1, 6HD1)  120 l  250 l  250 l 
    kunststof houder met als buitenverpakking een stalen of aluminium korf of kist of kunststof houder met als buitenverpakking een houten, multiplexen, kartonnen of stijve kunststof kist of doos (6HA2, 6HB2, 6HC, 6HD2, 6HG2 of 6HH2)  60 l  60 l  60 l 
    glazen houder met als buitenverpakking een vat van staal, aluminium, karton, multiplex, geëxpandeerde kunststof of stijve kunststof (6PA1, 6PB1, 6PG1, 6PD1, 6PH1 of 6PH2) of met als buitenverpakking een stalen of aluminium korf of kist of met als buitenverpakking een houten kist of kartonnen doos of met als buitenverpakking een tenen mand (6PA2, 6PB2, 6PC, 6PG2 of 6PD2)  60 l  60 l  60 l 
         
    Drukhouders, onder voorwaarde dat aan de algemene bepalingen van 4.1.3.6 wordt voldaan.

    Aanvullend voorschrift:
    Voor stoffen van klasse 3, verpakkingsgroep III, die in geringe hoeveelheden kooldioxide of stikstof ontwikkelen, moeten  de verpakkingen zijn voorzien van een ontluchtingsinrichting.

    Bijzondere verpakkingsvoorschriften:
    PP1
    Voor de UN-nummers 1133, 1210, 1263 en 1866 en voor lijmen, drukinkten, drukinkt-verwante producten, verven, verfverwante producten en harsoplossingen, die zijn ingedeeld onder UN-nummer 3082, hoeven metalen of kunststof verpakkingen voor stoffen van de verpakkingsgroepen II en III in hoeveelheden van 5 liter of minder per verpakking niet te voldoen aan de prestatiebeproevingen in hoofdstuk 6.1, indien zij worden vervoerd:

    1. als lading op een pallet, in een palletbox of samengestelde eenheid, bijv. afzonderlijke verpakkingen op een pallet geplaatst of gestapeld en door middel van omsnoering, krimp- of rekfolie of andere geschikte middelen erop vastgezet, of
    2. als binnenverpakkingen van samengestelde verpakkingen met een grootste netto massa van 40 kg.

    PP2 Voor UN-nummer 3065 mogen houten tonnen met een inhoud van ten hoogste 250 liter worden gebruikt, die niet voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk 6.1.

    PP4 Verpakkingen voor UN-nummer 1774 moeten voldoen aan het prestatieniveau voor verpakkingsgroep II.

    PP5 Verpakkingen voor UN-nummer 1204 moeten zodanig worden geconstrueerd dat explosie wegens
    verhoogde inwendige druk niet mogelijk is. Flessen, grote cilinders en drukvaten mogen voor deze stoffen niet worden gebruikt.

    PP6 (Geschrapt)

    PP10 De verpakking voor UN-nummer 1791, verpakkingsgroep II, moet van een ontluchtingsinrichting zijn voorzien.

    PP31 Voor UN-nummer 1131 moet de verpakking hermetisch zijn afgedicht.

    PP33 Voor UN-nummer 1308, verpakkingsgroepen I en II, zijn alleen samengestelde verpakkingen met een maximale bruto massa van 75 kg toegestaan.

    PP81 Voor UN-nummer 1790 met meer dan 60% maar ten hoogste 85% fluorwaterstof en UN-nummer 2031 met meer dan 55% salpeterzuur, is het gebruik van kuststof vaten en jerrycans die als enkelvoudige verpakkingen gebruikt worden, toegestaan gedurende twee jaar, gerekend vanaf hun datum van fabricage.

    PP93 Voor de UN-nummers 3532 en 3534 moeten de verpakkingen zodanig worden ontworpen en geconstrueerd dat het vrijkomen van het gas of de damp mogelijk is om te verhinderen dat een drukopbouw plaatsvindt die de verpakkingen zou kunnen doen barsten in geval van stabilisatieverlies

         
    Bijzondere verpakkingsvoorschriften, specifiek voor RID en ADR
    RR2 Voor UN-nummer 1261 zijn verpakkingen met afneembaar deksel niet toegestaan.
    IBC-02

    VERPAKKINGSINSTRUCTIE IBC02

    IBC02

    R-001

    VERPAKKINGSINSTRUCTIE R001

    R001


    HOOFDSTUK 4.1.10 - BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN VOOR GEZAMELIJKE VERPAKKING - KOLOM 9B
    • Bepaling MP 19

      Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 5 liter per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:

      • met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
      • met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR,

      onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.


    HOOFDSTUK 4.2.5.2 & 7.3.2 - TRANSPORTTANKS EN BULKCONTAINERS - INSTRUCTIES - KOLOM 10
      • 4.2.5.2.6 : Transportinstructies T1 - T22

        4.2.5.2.6 : Transportinstructies T1 - T22

        Deze transporttank-instructies zijn van toepassing op vloeibare en vaste stoffen van klasse 1 en de klassen 3 t/m 9. Er moet voldaan worden aan de algemene voorschriften van sectie 4.2.1 en de voorschriften van sectie 6.7.2.

        Transporttank- instructie Minimale beproevings-
        druk (bar)
        Minimale tankdikte (in mm referentiestaal)
        (zie 6.7.2.4)
        Drukontlastings- inrichtingen a
        (zie 6.7.2.8)
        Bodem- openingen
        (zie 6.7.2.6)b
        T1 1,5 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Zie 6.7.2.6.2
        T2 1,5 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Zie 6.7.2.6.3
        T3 2,65 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Zie 6.7.2.6.2
        T4 2,65 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Zie 6.7.2.6.3
        T5 2,65 Zie 6.7.2.4.2 Zie 6.7.2.8.3 Niet toegestaan
        T6 4 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Zie 6.7.2.6.2
        T7 4 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Zie 6.7.2.6.3
        T8 4 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Niet toegestaan
        T9 4 6 mm Normaal Niet toegestaan
        T10 4 6 mm Zie 6.7.2.8.3 Niet toegestaan
        T11 6 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Zie 6.7.2.6.3
        T12 6 Zie 6.7.2.4.2 Zie 6.7.2.8.3 Zie 6.7.2.6.3
        T13 6 6 mm Normaal Niet toegestaan
        T14 6 6 mm Zie 6.7.2.8.3 Niet toegestaan
        T15 10 Zie 6.7.2.4.2 Normaal Zie 6.7.2.6.3
        T16 10 Zie 6.7.2.4.2 Zie 6.7.2.8.3 Zie 6.7.2.6.3
        T17 10 6 mm Normaal Zie 6.7.2.6.3
        T18 10 6mm Zie 6.7.2.8.3 Zie 6.7.2.6.3
        T19 10 6 mm Zie 6.7.2.8.3 Niet toegestaan
        T20 10 8 mm Zie 6.7.2.8.3 Niet toegestaan
        T21 10 10 mm Normaal Niet toegestaan
        T22 10 10 mm Zie 6.7.2.8.3 Niet toegestaan

        a Indien het woord "Normaal" is aangegeven, zijn alle voorschriften van 6.7.2.8 van toepassing, uitgezonderd 6.7.2.8.3.

        b Indien in deze kolom is aangegeven “Niet toegestaan”, dan zijn openingen aan de onderzijde niet toegestaan indien de te vervoeren stof een vloeistof is (zie 6.7.2.6.1). Indien de te vervoeren stof een vaste stof is bij alle temperaturen die onder normale vervoersomstandigheden optreden, dan zijn openingen aan de onderzijde overeenkomstig de voorschriften van 6.7.2.6.2 toegestaan.

      • 4.2.5.1 - INSTRUCTIES EN BIJZONDERE BEPALINGEN TRANSPORTTANKS - ALGEMEEN

        4.2.5.1.1 ALGEMENE BEPALINGEN

        Deze sectie omvat de instructies en bijzondere bepalingen voor transporttanks, die van toepassing zijn op gevaarlijke stoffen waarvan het vervoer in transporttanks is toegestaan.

        Elke transporttank-instructie wordt aangegeven met een alfanumerieke aanduiding (bijv. T1).

        Kolom (10) van tabel A van hoofdstuk 3.2 geeft de transporttank-instructie aan die gebruikt moet worden voor elke stof waarvan het vervoer in een transporttank is toegestaan.

        Als er in kolom (10) voor een specifieke gevaarlijke stof geen transporttank-instructie is aangegeven, dan is het vervoer van de stof in transporttanks niet toegestaan, tenzij goedkeuring is verleend door een bevoegde autoriteit, zoals vermeld in 6.7.1.3. Bijzondere bepalingen voor transporttanks worden toegekend aan specifieke gevaarlijke stoffen in kolom (11) van tabel A van hoofdstuk 3.2.

        Elke bijzondere bepaling voor transporttanks wordt aangegeven met een alfanumerieke aanduiding (bijv. TP1). Een lijst van de bijzondere bepalingen voor transporttanks staat vermeld in 4.2.5.3.

        Opmerking: De gassen die in MEGC's ten vervoer zijn toegelaten, zijn aangeduid met de letter "(M)" in kolom (10) van tabel A van hoofdstuk 3.2.

      • 4.2.5.2 - TRANSPORTTANK INSTRUCTIES - ALGEMEEN

        4.2.5.1.1 ALGEMENE BEPALINGEN

        Deze sectie omvat de instructies en bijzondere bepalingen voor transporttanks, die van toepassing zijn op gevaarlijke stoffen waarvan het vervoer in transporttanks is toegestaan.

        Elke transporttank-instructie wordt aangegeven met een alfanumerieke aanduiding (bijv. T1).

        Kolom (10) van tabel A van hoofdstuk 3.2 geeft de transporttank-instructie aan die gebruikt moet worden voor elke stof waarvan het vervoer in een transporttank is toegestaan.

        Als er in kolom (10) voor een specifieke gevaarlijke stof geen transporttank-instructie is aangegeven, dan is het vervoer van de stof in transporttanks niet toegestaan, tenzij goedkeuring is verleend door een bevoegde autoriteit, zoals vermeld in 6.7.1.3. Bijzondere bepalingen voor transporttanks worden toegekend aan specifieke gevaarlijke stoffen in kolom (11) van tabel A van hoofdstuk 3.2.

        Elke bijzondere bepaling voor transporttanks wordt aangegeven met een alfanumerieke aanduiding (bijv. TP1). Een lijst van de bijzondere bepalingen voor transporttanks staat vermeld in 4.2.5.3.

        Opmerking: De gassen die in MEGC's ten vervoer zijn toegelaten, zijn aangeduid met de letter "(M)" in kolom (10) van tabel A van hoofdstuk 3.2.

      • 4.2.5.2.5 - BEPALINGEN VAN DE JUISTE TRANSPORTTANK INSTRUCTIE

        Bepaling van de juiste transporttank-instructies
        Wanneer er in kolom (10) voor een specifieke gevaarlijke stoffenpositie een specifieke transporttank-instructie wordt genoemd, mag ook gebruik gemaakt worden van andere transporttanks die hogere minimale beproevingsdrukken, grotere wanddikten, stringentere voorschriften voor openingen aan de onderzijde en drukontlastingsinrichtingen voorschrijven.

        De volgende richtlijnen zijn bedoeld voor het vaststellen van de geschikte transporttanks die gebruikt mogen worden voor het vervoer van bepaalde stoffen:

        Vermelde transporttank instructie EVENEENS TOEGESTANE TRANSPORTTANK-INSTRUCTIES
        T1 T2, T3, T4, T5, T6, T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
        T2 T4, T5, T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
        T3 T4, T5, T6, T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
        T4 T5, T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
        T5 T10, T14, T19, T20, T22
        T6 T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
        T7 T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
        T8 T9, T10, T13, T14, T19, T20, T21, T22
        T9 T10, T13, T14, T19, T20, T21, T22
        T10 T14, T19, T20, T22
        T11 T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
        T12 T14, T16, T18, T19, T20, T22
        T13 T14, T19, T20, T21, T22
        T14 T19, T20, T22
        T15 T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
        T16 T18, T19, T20, T22
        T17 T18, T19, T20, T21, T22
        T18 T19, T20, T22
        T19 T20, T22
        T20 T22
        T21 T22
        T22 Geen
        T23 Geen


    HOOFDSTUK 4.2.5.3 - TRANSPORTTANKS & BULKCONTAINERS - BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 11
    • 4.2.5.3 - Bepaling TP 1

      De in 4.2.1.9.2 voorgeschreven vullingsgraad mag niet worden overschreden.

      4.2.5.3 TP01

       


    HOOFDSTUK 4.3 - TANKCODE - KOLOM 12
      • HOOFDSTUK 4.3.4.1.1 - CODERING VAN TANKS

        Codering van tanks
        De vier delen van de in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 aangegeven codes (tankcodes) hebben de volgende betekenis:

        DEEL OMSCHRIJVING TANKCODE
        1 Type tank

        L = tank voor stoffen in vloeibare toestand (vloeistoffen of vaste stoffen die in gesmolten toestand ten vervoer worden aangeboden)

        S = tank voor stoffen in vaste toestand (in poedervorm of korrelig)

        2 Berekeningsdruk G = minimale berekeningsdruk volgens de algemene voorschriften  van 6.8.2.1.14; of 1,5; 2,65; 4; 10; 15 of 21 =  minimale berekeningsdruk in bar (zie 6.8.2.1.14)
        3 Openingen (zie 6.8.2.2.2)

        A = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de onderzijde met 2 sluitingen

        B = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de onderzijde met 3 sluitingen

        C = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde, met  onder de vloeistofspiegel alleen reinigingsopeningen

        D = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde, zonder openingen onder de vloeistofspiegel

        4 Veiligheidskleppen/
        -inrichtingen

        V = tank met een be- en ontluchtingsinrichting volgens 6.8.2.2.6, maar zonder beschermende voorziening tegen vlaminslag; of niet explosieschokdrukbestendige tank

        F = tank met een be- en ontluchtingsinrichting volgens 6.8.2.2.6,
        voorzien  van een beschermende voorziening tegen
        vlaminslag volgens 6.8.2.2.6; of explosieschokdrukbestendige tank

        N = tank zonder een be- en ontluchtingsinrichting volgens
         6.8.2.2.6 en niet hermetisch gesloten

        H =  hermetisch gesloten tank (zie 1.2.1)

      • HOOFDSTUK 4.3.4.1.2 - GERATIONALISEERDE BENADERING

        Gerationaliseerde benadering voor toekenning van ADR-tankcodes aan groepen van stoffen en tankhiërarchie.
        Opmerking: Bepaalde stoffen en groepen van stoffen zijn niet in de gerationaliseerde benadering opgenomen, zie 4.3.4.1.3.

        GERATIONALISEERDE BENADERING
        Tankcode Groep van toegestane stoffen
          Klasse Classificatiecode Verpakkingsgroep
        VLOEISTOFFEN:
        LGAV 3 F2 III
        9 M9 III
        LGBV 4.1 F2 II
        III
        5.1 O1 III
        9 M6 III
        M11 III
        en de groepen van de voor tankcode LGAV toegestane stoffen
        LGBF 3 F1 II, dampdruk bij 50 oC ≤ 1,1 bar
        F1 III
        D II, dampdruk bij 50 oC ≤, 1,1 bar
        D III
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV en LGBV toegestane stoffen
        L1,5BN 3 F1 II, dampdruk bij 50 °C > 1,1 bar
        F1 III, vlampunt <23 °C, viskeus, dampdruk bij 50 °C >1,1 bar, kookpunt >35 °C
        D II, dampdruk bij 50 °C > 1,1 bar
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV en LGBF toegestane stoffen
        L4BN 3 F1 I
        III, kookpunt < 35 °C
        FC III
        D I
        5.1 O1 I, II
        OT1 I
        8 C1 II, III
        C3 II, III
        C4 II, III
        C5 II, III
        C7 II, III
        C8 II, III
        C9 II, III
        C10 II, III
        CF1 II
        CF2 II
        CS1 II
        CW1 II
        CW2 II
        CO1 II
        CO2 II
        CT1 II, III
        CT2 II, III
          CFT II
        9 M11 III
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF en L1,5BN toegestane stoffen
        L4BH 3 FT1 II, III
        FT2 II
        FC II
        FTC II
        6.1 T1 II, III
        T2 II, III
        T3 II, III
        T4 II, III
        T5 II, III
        T6 II, III
        T7 II, III
        TF1 II
        TF2 II, III
        TF3 II
        TS II
        TW1 II
        TW2 II
        TO1 II
        TO2 II
        TC1 II
          TC2 II
        TC3 II
        TC4 II
        TFC II
        6.2 I3 II
        I4  
        9 M2 II
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN en L4BN toegestane stoffen
        L4DH 4.2 S1 II, III
        S3 II, III
        ST1 II, III
        ST3 II, III
        SC1 II, III
        SC3 II, III
        4.3 W1 II, III
        WF1 II, III
        WT1 II, III
        WC1 II, III
        8 CT1 II, III
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN en L4BH toegestane stoffen
        L10BH 8 C1 I
        C3 I
        C4 I
          C5 I
        C7 I
        C8 I
        C9 I
        C10 I
        CF1 I
        CF2 I
        CS1 I
        CW1 I
        CW2 I
        CO1 I
        CO2 I
        CT1 I
        CT2 I
        COT I
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN en L4BH toegestane stoffen
        L10CH 3 FT1 I
        FT2 I
        FC I
        FTC I
        6.1* T1 I
        T2 I
          T3 I
        T4 I
        T5 I
        T6 I
        T7 I
        TF1 I
        TF2 I
        TF3 I
        TS I
        TW1 I
        TO1 I
        TC1 I
        TC2 I
        TC3 I
        TC4 I
        TFC I
        TFW I
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH en L10BH toegestane stoffen
        * Aan stoffen met een LC50 lager dan of gelijk aan 200 ml/m3 en een verzadigde dampconcentratie hoger dan of gelijk aan 500 LC50 moet tankcode L15CH worden toegekend.
        L10DH 4.3 W1 I
        WF1 I
        WT1 I
          WC1 I
        WFC I
        5.1 OTC I
        8 CT1 I
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH, L4DH, L10BH en L10CH toegestane stoffen
        L15CH 3 FT1 I
        6.1** T1 I
        T4 I
        TF1 I
        TW1 I
        TO1 I
        TC1 I
        TC3 I
        TFC I
        TFW I
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BN, L4BH, L10BH, en L10CH toegestane stoffen
        **Aan stoffen met een LC50   lager dan of gelijk aan 200 ml/m3 en een verzadigde dampconcentratie hoger dan of gelijk aan 500 LC50   moet deze tankcode L15CH worden toegekend
        L21DH 4.2 S1 I
        S3 I
        SW I
        ST3 I
        en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH, L4DH, L10BH en L10CH, L10DH en L15CH toegestane stoffen
        VASTE STOFFEN:
        SGAV 4.1 F1 III
        F3 III
        4.2 S2 II, III
        S4 III
        5.1 O2 II, III
        8 C2 II, III
        C4 III
        C6 III
        C8 III
        C10 II, III
        CT2 III
        9 M7 III
        M11 II, III
        SGAN 4.1 F1 II
        F3 II
        FT1 II, III
        FT2 II, III
        FC1 II, III
        FC2 II, III
        4.2 S2 II
        S4 II, III
          ST2 II, III
        ST4 II, III
        SC2 II, III
        SC4 II, III
        4.3 W2 II, III
        WF2 II
        WS II, III
        WT2 II, III
        WC2 II, III
        5.1 O2 II, III
        OT2 II, III
        OC2 II, III
        8 C2 II
        C4 II
        C6 II
        8 C8 II
        C10 II
        CF2 II
        CS2 II
        CW2 II
        CO2 II
        CT2 II
        9 M3 III
        en de groepen van de voor tankcode SGAV toegestane stoffen
        SGAH 6.1 T2 II, III
        T3 II, III
        T5 II, III
        T7 II, III
        T9 II
        TF3 II
        TS II
        TW2 II
        TO2 II
        TC2 II
        TC4 II
        9 M1 II, III
        en de groepen van de voor de tankcodes SGAV en SGAN toegestane stoffen
        S4AH 6.2 I3 II
        9 M2 II
        en de groepen van de voor de tankcodes SGAV, SGAN en SGAH toegestane stoffen
        S10AN 8 C2 I
        C4 I
        C6 I
        C8 I
        C10 I
        CF2 I
        CS2 I
        CW2 I
        CO2 I
        CT2 I
        en de groepen van de voor de tankcodes SGAV en SGAN toegestane stoffen
        S10AH 6.1 T2 I
        T3 I
        T5 I
        T7 I
        TS I
        TW2 I
        TO2 I
        TC2 I
        TC4 I
        en de groepen van de voor de tankcodes SGAV, SGAN, SGAH en S10AN toegestane stoffen

        Tankhiërarchie
        Tanks met tankcodes die afwijken van die welke zijn aangegeven in deze tabel of in tabel A van hoofdstuk 3.3, mogen ook gebruikt worden, onder voorwaarde dat elk element (getal of letter) van de delen 1 t/m 4 van deze tankcodes overeenkomt met een veiligheidsniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het overeenkomstige element van de tankcode die in tabel A van hoofdstuk 3.2 aangegeven is, overeenkomstig de hierna volgende opklimmende reeks:

        Deel 1: Tanktype
        S ─> L

        Deel 2: Berekeningsdruk
        G ----> 1,5 ----> 2,65 ----> 4 ----> 10 ----> 15 ----> 21 bar

        Deel 3: Openingen
        A ----> B ----> C ----> D

        Deel 4: Veiligheidskleppen / -inrichtingen
        V ----> F ----> N ----> H

        Bijvoorbeeld:

        • Een tank met de tankcode L10CN is toegelaten voor het vervoer van een stof, waaraan tankcode L4BN is toegekend:
        • Een tank met de tankcode L4BN is toegelaten voor het vervoer van een stof, waaraan tankcode SGAN is toegekend.

        Opmerking: In de hiërarchie wordt geen rekening met eventuele bijzondere bepalingen voor elke positie (zie 4.3.5 en 6.8.4).

         

      • HOOFDSTUK 4.3.4.1.3 - BIJZONDERE BEPALING +

        De volgende stoffen en groepen van stoffen, waarbij in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 achter de tankcode een (+) weergegeven is, zijn onderworpen aan bijzondere bepalingen.

        In dat geval is het afwisselend gebruik van de tanks voor andere stoffen en groepen van stoffen alleen toegestaan indien dit in het certificaat van typegoedkeuring gespecificeerd is.

        Volgens de voorschriften na de tabel in 4.3.4.1.2 hoger gewaardeerde tanks mogen gebruikt worden, rekening houdend met de in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 aangegeven bijzondere bepalingen. De vereisten voor deze tanks volgen uit de onderstaande tankcodes, aangevuld door de desbetreffende bijzondere bepalingen die in hoofdstuk 3.2, tabel A, kolom (13) worden aangegeven.

        Klasse  UN           Benaming en omschrijving Tankcode
        1 0331 Springstof, type B S2.65AN
        4.1 2448 Zwavel, gesmolten LGBV
        3531 Polymeriserende stof, vast, gestabiliseerd, n.e.g. SGAN
        3533 Polymeriserende stof, vast, met temperatuurbeheersing, n.e.g.
        3532 Polymeriserende stof, vloeistof, gestabiliseerd, n.e.g. L4BN
        3534 Polymeriserende stof, vloeistof, met temperatuurbeheersing, n.e.g.
        4.2 1381 Fosfor, wit of geel, droog, onder water of in oplossing L10DH
        2447 Fosfor, wit, gesmolten
        4.3 1389 Amalgaam van alkalimetalen, vloeibaar L10BN
        1391 Dispersie van aardalkalimetalen of dispersie van alkalimetalen
        1392 Amalgaam van aardalkalimetalen, vloeibaar
        1415 Lithium
          1420 Metallische legeringen van kalium, vloeibaar  
        1421 Legering van alkalimetalen, vloeibaar, n.e.g.
        1422 Legeringen van kalium en natrium, vloeibaar
        1428 Natrium
        2257 Kalium
        3401 Amalgaan van alkalimetalen, vast
        3402 Amalgaan van aardalkalimetalen, vast
        3403 Metallische legeringen van kalium, vast
        3404 Legeringen van kalium en natrium, vast
        3482 Dispersie van alkalimetalen, brandbaar of dispersie van aardalkalimetalen, brandbaar
        1407 Cesium L10CH
        1423 Rubidium
        1402 Calciumcarbide, verpakkingsgroep I S2.65AN
        5.1 1873 Perchloorzuur, met meer dan 50 massa-%, doch ten hoogste 72 massa-% zuur L4DN
        2015 Waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 70% waterstofperoxide L4DV
        2014 Waterstofperoxide, oplossing in water met ten minste 20% doch ten hoogste 60% waterstofperoxide L4BV
        2015 Waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 60% waterstofperoxide doch ten hoogste 70% waterstofperoxide
        2426 Ammoniumnitraat, vloeibaar, warme geconcentreerde oplossing met een concentratie hoger dan 80%, maar ten hoogste 93%
        3149 Waterstofperoxide en peroxyazijnzuur, mengsel, gestabiliseerd
        3375 Ammoniumnitraat, emulsie, suspensie of gel, vloeibaar, tussenproduct voor de bereiding van springstoffen LGAV
        3375 Ammoniumnitraat, emulsie, suspensie of gel, vast, tussenproduct voor de bereiding van springstoffen SGAV
        5.2 3109 Organisch peroxide, type F, vloeibaar L4BN
        3119 Organisch peroxide, type F, vloeibaar, met temperatuurbeheersing
        3110 Organisch peroxide, type F, vast S4AN
        3120 Organisch peroxide, type F, vast, met temperatuurbeheersing
        6.1 1613 Cyaanwaterstof, oplossing in water L15DH
        3294 Cyaanwaterstof, oplossing in alcohol
        7a   Alle stoffen bijzondere tanks
        Minimumeisen voor vloeistoffen L2.65CN
        Minimumeisen voor vaste stoffen S2.65AN
        z 1052 Fluorwaterstof, watervrij L21DH
        1744 Broom of broom, oplossing
        1790 Fluorwaterstofzuur, oplossing, met meer dan 85% fluorwaterstof
        1791 (1,2) Hypochloriet, oplossing L4BV
        1908 (1,2) Chloriet, oplossing

        a Niettegenstaande de algemene voorschriften van deze paragraaf mogen tanks die voor radioactieve stof zijn gebruikt, ook voor het vervoer van andere goederen worden gebruikt, onder voorwaarde dat aan de voorschriften van 5.1.3.2 is voldaan.

         

      • HOOFDSTUK 4.3.4.1.4 - VLOEIBARE AFVALSTOFFEN

        Tanks, bestemd voor het vervoer van vloeibare afvalstoffen, die voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 6.10 en overeenkomstig 6.10.3.2 van twee sluitingen voorzien zijn, moeten worden toegewezen aan tankcode L4AH. Indien de betreffende tanks uitgerust zijn voor het afwisselend vervoer van vloeibare en vaste stoffen, moeten zij worden toegewezen aan de gecombineerde codes L4AH+S4AH.

         

      • HOOFDSTUK 4.3.4.2 - ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

        4.3.4.2.1
        Indien warme stoffen zijn geladen, mag de temperatuur van het buitenoppervlak van de tank of van de warmte-isolatie tijdens het vervoer 70 oC niet overschrijden.

        4.3.4.2.2 - van toepassing op vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks en batterijwagens
        De verbindingsleidingen tussen onafhankelijke, maar onderling verbonden tanks van een transporteenheid moeten tijdens het vervoer leeg zijn. Buigzame laad- en losleidingen die niet duurzaam met de tank zijn verbonden, moeten tijdens het vervoer leeg zijn.

         


    HOOFDSTUK 4.3.5 & 6.8.4 - BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 13
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 13 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 9.1.1.2 - VOERTUIG TANKVERVOER - KOLOM 14
    • FL-voertuig

      1. een voertuig, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 60 °C (met uitzondering van dieselolie die voldoet aan de norm EN 590:2013 + A1:2017, gasolie en lichte stookolie - UN-nummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:2013 + A1:2017) in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m³ of in tankcontainers of transporttanks met een individuele inhoud van meer dan 3 m³; of
      2. een voertuig, bestemd voor het vervoer van brandbare gassen in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m3 of in tankcontainers, transporttanks of MEGC's met een individuele inhoud van meer dan 3 m3; of
      3. een batterijwagen met in totaal een inhoud van meer dan 1 m³, bestemd voor het vervoer van brandbare gassen; of
      4. een voertuig, bestemd voor het vervoer van waterstofperoxide, gestabiliseerd of waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 60% waterstofperoxide (klasse 5.1, UN 2015) in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m³, of in tankcontainers of transporttanks met een individuele inhoud van meer dan 3 m³;

      Meer informatie over constructie, bouw, goedkeuring etc. in deel 9 van het ADR


    HOOFDSTUK 1.1.3.6 & 8.6 - VERVOERSCATEGORIE & TUNNELBEPERKING - KOLOM 15

    VERVOERS CATEGORIE
    2

    1000 PUNTEN TABEL
    MAX 333 KG / LTR

    1.1.3.6 - VRIJSTELLINGEN / 1000 PUNTEN TABEL

    1.1.3.6  Vrijstellingen in samenhang met de vervoerde hoeveelheden per transporteenheid

    1.1.3.6.1
    Voor de toepassing van deze subsectie zijn gevaarlijke goederen ingedeeld in vervoerscategorieën 0, 1, 2, 3 of 4, zoals aangegeven in kolom (15) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Lege ongereinigde verpakkingen die stoffen hebben bevat, welke zijn ingedeeld in vervoerscategorie “0”, worden ook ingedeeld in vervoerscategorie “0”. Lege ongereinigde verpakkingen die stoffen hebben bevat, welke zijn ingedeeld in andere vervoerscategorie dan “0”, worden ingedeeld in vervoerscategorie “4”.

    1.1.3.6.2
    Indien de hoeveelheid gevaarlijke goederen die met een transporteenheid vervoerd wordt, de in kolom (3) van de tabel van 1.1.3.6.3 aangegeven waarden niet overschrijdt voor een bepaalde vervoerscategorie (indien de gevaarlijke goederen die in de transporteenheid worden vervoerd, tot dezelfde categorie behoren), of de waarde, berekend overeenkomstig 1.1.3.6.4 (indien de gevaarlijke goederen die in de transporteenheid worden vervoerd, tot verschillende vervoerscategorieën behoren), niet overschrijdt, mogen zij worden vervoerd in colli in één transporteenheid zonder toepassing van de volgende bepalingen:

    • Hoofdstuk 1.10, behalve voor gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel van klasse 1 (overeenkomstig 1.10.3.1) en behalve voor vrijgestelde colli van klasse 7 van UN-nummers 2910 en 2911, indien het activiteitsniveau de A2-waarde overschrijdt;
    • Hoofdstuk 5.3;
    • Sectie 5.4.3;
    • Hoofdstuk 7.2, met uitzondering van V5 en V8 van 7.2.4;
    • CV1 van 7.5.11;
    • Deel 8, met uitzondering van:
    • 8.1.2.1 a),
    • 8.1.4.2 t/m 8.1.4.5,
    • 8.2.3,
    • 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5,
    • hoofdstuk 8.4,
    • S1 (3) en (6),
      • S2 (1), S4,
      • S5,
      • S14 tot en met S21 en
      • S24 van hoofdstuk 8.5
    • Deel 9
    Vervoers- categorie
    (1)
    STOFFEN OF VOORWERPEN
    (VERPAKKINGSGROEP OF CLASSIFICATIECODE / -GROEP OF UN-NUMMER) (2)
    Hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid (3)b
    0

    Klasse 1:      1.1 A, 1.1 L, 1.2 L, 1.3 L en UN 0190

    Klasse 3:      UN 3343

    Klasse 4.2:   stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I

    Klasse 4.3:   UN 1183, 1242, 1295, 1340, 1390, 1403, 1928, 2813, 2965, 2968,2988, 3129, 3130, 3131, 3132, 3134, 3148, 3396, 3398 en 3399

    Klasse 5.1:   UN 2426

    Klasse 6.1:   UN 1051, 1600, 1613, 1614, 2312, 3250 en 3294

    Klasse 6.2:   UN 2814, 2900 en 3549

    Klasse 7:      UN 2912 t/m 2919, 2977, 2978 en 3321 t/m 3333

    Klasse 8:      UN 2215 (MALEÏNEZUURANHYDRIDE, GESMOLTEN)

    Klasse 9:      UN 2315, 3151, 3152 en 3432, alsmede voorwerpen die deze stoffen of mengsels bevatten,
    alsmede ongereinigde lege verpakkingen die stoffen van deze vervoerscategorie
    hebben bevat, met uitzondering van verpakkingen die onder UN-nummer 2908 zijn ingedeeld

    0
    1

    Stoffen en voorwerpen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I en niet onder vervoerscategorie 0 vallen, alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 1:   1.1 B t/m 1.1 Ja, 1.2 B t/m 1.2 J, 1.3 C, 1.3 G, 1.3 H, 1.3 J en 1.5 Da

    Klasse 2:    Groepen T, TCa, TO, TF, TOCa en TFC
    Spuitbussen: groepen C, CO, FC, T, TF, TC, TO, TFC en TOC Chemische stoffen onder druk: UN 3502, 3503, 3504 en 3505

    Klasse 4.1:   UN 3221 t/m 3224, 3231 t/m 3240, 3533 en 3534

    Klasse 5.2:   UN 3101 t/m 3104 en 3111 t/m 3120

    20
    2

    Stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep II en die niet onder vervoerscategorie 0, 1 of 4 vallen,
    alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 1:       1.4 B t/m 1.4 G en 1.6 N

    Klasse 2:       Groep F

    Spuitbussen: groep F

    Chemische stoffen onder druk: UN 3501

    Klasse 4.1:    UN 3225 t/m 3230, 3531 en 3532

    Klasse 4.3 :    UN 3292

    Klasse 5.1 :    UN 3356

    Klasse 5.2:    UN 3105 t/m 3110

    Klasse 6.1:    UN 1700, 2016 en 2017 en stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III

    Klasse 6.2:    UN 3291

    Klasse 9:     UN 3090, 3091, 3245, 3480, 3481 en 3536

    333
    3

    Stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III en die niet onder vervoerscategorie 0, 2 of 4 vallen,
    alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 2:       Groepen A en O

    Spuitbussen: groepen A en O

    Chemische stoffen onder druk: UN 3500

    Klasse 3:       UN 3473

    Klasse 4.3:    UN 3476

    Klasse 8:       UN 2794, 2795, 2800, 3028, 3477 en 3506

    Klasse 9:       UN 2990 en 3072

    1000
    4 Klasse 1:      1.4 S

    Klasse 2:     UN 3537 t/m 3539

    Klasse 3:     UN 3540

    Klasse 4.1:   UN 1331, 1345, 1944, 1945, 2254, 2623 en 3541

    Klasse 4.2:   UN 1361 en 1362 van verpakkingsgroep III en UN 3542

    Klasse 4.3:   UN 3543

    Klasse 5.1:   UN 3544

    Klasse 5.2:   UN 3545

    Klasse 6.1:   UN 3546

    Klasse 7:      UN 2908 t/m 2911

    Klasse 8:      UN 3547

    Klasse 9:      UN 3268, 3499, 3508, 3509 en 3548
    alsmede ongereinigde lege verpakkingen, die gevaarlijke goederen hebben bevat,
    met uitzondering van die welke onder de vervoerscategorie 0 vallen.
    onbeperkt

     

    1. Voor de UN-nummers 0081, 0082, 0084, 0241, 0331, 0332, 0482, 1005 en 1017 bedraagt de hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid 50kg
    2. De hoogst toelaatbare totale hoeveelheid voor elke vervoerscategorie komt overeen met een berekende waarde van “1000” (zie ook 1.1.3.6.4)

    In de bovenstaande tabel wordt onder “hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid” verstaan:

    • voor voorwerpen, de totale massa in kilogrammen van de voorwerpen zonder hun verpakkingen (voor voorwerpen van klasse 1, netto massa van de ontplofbare stof in kg; voor gevaarlijke stoffen in machines en uitrustingen, zoals omschreven in deze Bijlage, de totale hoeveelheid daarin aanwezige gevaarlijke stoffen in kilogram resp. liter);
    • voor vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen, sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen en opgeloste gassen, de netto massa in kilogrammen;
    • voor vloeistoffen, de totale hoeveelheid gevaarlijke goederen in liters;
    • voor gecomprimeerde gassen, geadsorbeerde gassen en chemische stoffen onder druk, de waterinhoud van de houder in liters.

    1.1.3.6.4
    Indien gevaarlijke goederen die behoren tot verschillende vervoerscategorieën, in dezelfde transporteenheid worden vervoerd, mag de som van

    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 1, vermenigvuldigd met 50,
    • de hoeveelheid van de in voetnoot a) bij de tabel in 1.1.3.6.3 opgesomde stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 1, vermenigvuldigd met 20,
    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 2, vermenigvuldigd met 3, en
    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 3,

    een berekende waarde van 1000 niet overschrijden.

    1.1.3.6.5
    Voor de toepassing van deze subsectie wordt geen rekening gehouden met gevaarlijke goederen die overeenkomstig 1.1.3.1 (a), en (d) t/m (f), 1.1.3.2 t/m 1.1.3.5, 1.1.3.7, 1.1.3.9 en 1.1.3.10 vrijgesteld zijn

     

    TUNNEL CODE : D/E
    Code voor  beperking in tunnels voor de gehele lading Beperking
    B Doorgang verboden door tunnels van de categorie B, C, D en E.
    B1000C

    Vervoer waarbij de totale netto massa ontplofbare stof per transporteenheid

    • 1000 kg overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van de categorie B, C, D en E;
    • 1000 kg niet overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van de categorie C, D en E
    B/D Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie B, C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
    B/E Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie B, C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E
    C Doorgang verbo den door tunnels van categorie C, D en E
    C5000D

    Vervoer waarbij de totale netto massa ontplofbare stof per transporteenheid

    • 5000 kg overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;
    • 5000 kg niet overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van
      categorie D en E
    C/D

    Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E

    C/E

    Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E

    D Doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
    D/E Los gestort vervoer of vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E
    E Doorgang verbo den door tunnels van categorie E
    - Doorgang toegestaan door alle tunnels (Zie voor de UN-nummers 2919 en 3331 ook 8.6.3.1).
    •  
       
      • Roertunnel
      • Schipholtunnel
      • Swalmentunnel
      • Leidsche Rijntunnel
      • Willem-Alexandertunnel.
    •  

       

      • Beneluxtunnel
      • Coentunnel
      • Drechttunnel
      • Ketheltunnel
      • Kiltunnel
      • Noordtunnel
      • Sluiskiltunnel
      • Salland-Twentetunnel
      • Sytwendetunnel
      • Thomassentunnel
      • Vlaketunnel
      • Waterwolftunnel
      • Westerscheldetunnel
      • Wijkertunnel
      • Zeeburgertunnel.
      • Zelzate tunnel (Belgie)

    •  
       
      • Botlektunnel
      • Heinenoordtunnel
      • Hubertustunnel
      • IJtunnel
      • Koningstunnel
      • Maasboulevardtunnel
      • Maastunnel
      • Piet Heintunnel
      • Velsertunnel
      • Michiel de Ruijtertunnel.  
      • Kennedytunnel (Belgie)
      • Tunnel van Cointe (Belgie)
    •  
       
      • Arenatunnel
      • Stadsbaantunnel. 
      • Waaslandtunnel (Belgie)
      • Hoge Mouwtunnel (Belgie)
      • De Bond Leuven (Belgie)
      • Vierarmen (Belgie
      • Tunnel onder 't Zand (Belgie)
      • Tunnels van de kleine ring Brussel stad
      • Van Praettunnel (Belgie)
      • Navo tunnel (Belgie)

    HOOFDSTUK 7.2.4 - BIJZ. BEP. VERVOER - COLLI - KOLOM 16
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 16 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 7.3.3 - BIJZ. BEP. VERVOER - LOS GESTORT - KOLOM 17
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 17 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 7.5.11 - BIJZ. BEP. VERVOER - LADEN, LOSSEN, BEHANDELING - KOLOM 18
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 18 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 8.5 - BIJZ. BEP. VERVOER - BEDRIJF - KOLOM 19
    • Bijzondere bepaling S 02

      Aanvullende voorschriften inzake het vervoer van brandbare vloeistoffen of gassen

      1. Draagbare verlichtingsapparatuur
        Het laadcompartiment van gesloten voertuigen die vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 60 oC of brandbare stoffen of voorwerpen van klasse 2 vervoeren, mogen niet worden binnengegaan door personen met draagbare verlichtingsapparatuur behalve die zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij brandbare dampen of gassen die tot in het voertuig kunnen zijn doorgedrongen, niet kunnen ontsteken.
      2. Het in bedrijf hebben van verwarmingssystemen op brandstof tijdens laden of lossen
        Het in bedrijf hebben van verwarmingssystemen op brandstof, van FL-voertuigen (zie deel 9) is tijdens laden en lossen en op laadplaatsen verboden.
      3. Voorzorgsmaatregelen tegen elektrostatische ladingen
        Indien het FL-voertuigen betreft (zie deel 9) moet een goede elektrische verbinding tussen het voertuigchassis en de aarde worden gemaakt voordat tanks worden gevuld of geledigd. Bovendien dient de vulsnelheid te worden beperkt.

    • Bijzondere bepaling S 20

      De bepalingen van hoofdstuk 8.4 inzake het toezicht op voertuigen zijn van toepassing indien de totale massa of het totale volume van deze stoffen in het voertuig 10.000 kg als verpakte goederen of 3000 liter in tanks overschrijdt.