Skip to main content

UN NUMMER
1038

VERPAKKINGSGROEP

N.V.T.


sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas, brandbaar

ADR KOLOMMEN 1, 2, 7A, 7B
ADR KLASSE 2 - GASSEN

Klasse 2 gassen

De titel van klasse 2 omvat zuivere gassen, gasmengsels, mengsels van één of meer gassen met één of meer andere stoffen, alsmede voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten.

Voor de volledige omschrijving van klasse 2 in hoofdstuk 2.2.2 van het ADR klik HIER.

CLASSIFICATIECODE 3F

3
Sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas: een gas dat, indien het verpakt is voor vervoer, vanwege zijn lage temperatuur gedeeltelijk vloeibaar is.

F
Brandbaar

LIMITED QUANTITIES : 0

3.4.1

In dit hoofdstuk zijn de voorwaarden opgenomen van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen van bepaalde klassen in gelimiteerde hoeveelheden. De beperkingen voor de hoeveelheden van toepassing per binnenverpakking of voorwerp, zijn voor elke stof aangegeven in kolom (7a) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Bovendien is de hoeveelheid “0” aangegeven in deze kolom voor alle posities die niet ter vervoer overeenkomstig dit hoofdstuk zijn toegelaten.
Gelimiteerde hoeveelheden gevaarlijke goederen die in dergelijke gelimiteerde hoeveelheden verpakt zijn, die voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn niet onderworpen aan enige andere bepalingen van het ADR, met uitzondering van de desbetreffende bepalingen van:

  1. Deel 1, hoofdstukken 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.8, 1.9;
  2. Deel 2;
  3. Deel 3, hoofdstukken 3.1, 3.2, 3.3 [behalve bijzondere bepalingen 61, 178, 181, 220, 274, 625, 633 en 650 e)];
  4. Deel 4, paragrafen 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8;
  5. Deel 5, 5.1.2.1 a) i) en b), 5.1.2.2, 5.1.2.3, 5.2.1.10, 5.4.2;
  6. Deel 6, constructievoorschriften van 6.1.4 en paragrafen 6.2.5.1 en 6.2.6.1 t/m 6.2.6.3;
  7. Deel 7, hoofdstuk 7.1 en 7.2.1, 7.2.2, 7.5.1 (behalve 7.5.1.4), 7.5.2.4, 7.5.7, 7.5.8 en 7.5.9;
  8. 8.6.3.3 en 8.6.4.

 

3.4.2

Gevaarlijke goederen mogen uitsluitend zijn verpakt in binnenverpakkingen die in geschikte buitenverpakkingen zijn geplaatst.

Er mogen tussenverpakkingen worden gebruikt. Verder moet voor voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S, volledig worden voldaan aan de voorschriften van sectie 4.1.5. Het gebruik van binnenverpakkingen is niet noodzakelijk voor het vervoer van voorwerpen zoals spuitbussen of “houders, klein, met gas”.

De totale bruto massa van het collo mag 30 kg niet overschrijden.

 

3.4.3

Behalve voor voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn trays omwikkeld met krimp- of rekfolie, die voldoen aan de voorwaarden van 4.1.1.1, 4.1.1.2 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8, aanvaardbaar als buitenverpakking voor voorwerpen of binnenverpakkingen die gevaarlijke goederen bevatten, vervoerd overeenkomstig dit hoofdstuk. Binnenverpakkingen die gemakkelijk kunnen breken of worden doorboord, zoals die welke zijn vervaardigd van glas, porselein, aardewerk of bepaalde kunststoffen, moeten in geschikte tussenverpakkingen worden geplaatst die voldoen aan de bepalingen van 4.1.1.1, 4.1.1.2 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8 en zodanig zijn ontworpen dat zij voldoen aan de constructievoorschriften van 6.1.4. De totale bruto massa van het collo mag 20 kg niet overschrijden.

 

3.4.4

Vloeibare goederen van klasse 8, verpakkingsgroep II in binnenverpakkingen van glas, porselein of aardewerk moeten zijn omhuld in een inerte en stijve tussenverpakking.

 

3.4.5

Gereserveerd

3.4.6

Gereserveerd

3.4.7

Kenmerking van colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten

3.4.7.1

Colli die gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden bevatten, moeten – behalve bij vervoer door de lucht – zijn voorzien van het in figuur 3.4.7.1 afgebeelde kenmerk:

3.4 LQ 1

Figuur 3.4.7.1 - Kenmerk voor colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten

Het kenmerk moet duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn en in staat zijn blootstelling aan weer en wind te weerstaan zonder een wezenlijke vermindering van de doeltreffendheid.

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). De bovenste en onderste gedeelten en de omringende lijn moeten zwart zijn. Het middelste gebied moet wit of een geschikte contrasterende achtergrond zijn. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimale dikte van de lijn die de ruit vormt moet 2 mm zijn. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.4.7.2

Indien de grootte van het collo dit vereist, mogen de minimale buitenafmetingen zoals getoond in figuur 3.4.7.1 worden verkleind, met als ondergrens 50 mm x 50 mm, onder voorwaarde dat het kenmerk duidelijk zichtbaar blijft. De minimale dikte van de lijn die de ruit vormt mag worden teruggebracht tot een minimum van 1 mm.

 

3.4.8

Kenmerking van colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten conform deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO

3.4.8.1

Colli die gevaarlijke goederen bevatten verpakt in overeenstemming met de bepalingen van deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO mogen van het in figuur 3.4.8.1 afgebeelde kenmerk zijn voorzien ten bewijze dat aan deze bepalingen wordt voldaan:

3.4 LQ 2

Figuur 3.4.8.1 - Kenmerk voor colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten conform deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO

Het kenmerk moet duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn en in staat zijn blootstelling aan weer en wind te weerstaan zonder een wezenlijke vermindering van de doeltreffendheid

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). De bovenste en onderste gedeelten en de omringende lijn moeten zwart zijn. Het middelste gebied moet wit of een geschikte contrasterende achtergrond zijn. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimale dikte van de lijn die ruit vormt moet 2 mm zijn. Het symbool “Y” moet in het midden van het kenmerk zijn aangebracht en moet duidelijk zichtbaar zijn. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.4.8.2

Indien de grootte van het collo dit vereist, mogen de minimale buitenafmetingen zoals getoond in figuur 3.4.8.1 worden verkleind, met als ondergrens 50 mm x 50 mm, onder voorwaarde dat het kenmerk duidelijk zichtbaar blijft. De minimale dikte van de lijn die de ruit vormt mag worden teruggebracht tot een minimum van 1 mm. Het symbool "Y" moet bij benadering in verhouding blijven tot het symbool "Y" in figuur 3.4.8.1.

 

3.4.9

Colli die gevaarlijke goederen bevatten en die zijn voorzien van het kenmerk getoond in 3.4.8 met of zonder de aanvullende etiketten en kenmerken voor vervoer door de lucht worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van sectie 3.4.1, naar gelang van toepassing, en van de secties 3.4.2 t/m 3.4.4 en hoeven niet te zijn voorzien van het kenmerk afgebeeld in 3.4.7.

 

3.4.10

Colli die gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden bevatten en die zijn voorzien van het in 3.4.7 getoonde kenmerk en voldoen aan de bepalingen van de Technische Instructies van de ICAO, met inbegrip van alle noodzakelijke kenmerken en etiketten zoals aangegeven in de delen 5 en 6, worden geacht te voldoen aan de bepalingen van sectie 3.4.1, naar gelang van toepassing, en van de secties 3.4.2 t/m 3.4.4.

 

3.4.11

Gebruik van oververpakkingen
Voor een oververpakking die gevaarlijke goederen bevat verpakt in gelimiteerde hoeveelheden, geldt het volgende:

Tenzij de kenmerken representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking:

  • de aanduiding “OVERVERPAKKING” bevatten. De letters van het woord “OVERVERPAKKING” moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en
  • zijn gekenmerkt met de kenmerken vereist volgens dit hoofdstuk.

Behalve bij vervoer door de lucht zijn de overige bepalingen van 5.1.2.1 alleen van toepassing indien de oververpakking andere gevaarlijke stoffen bevat die niet verpakt zijn in gelimiteerde hoeveelheden en dan slechts in verband met deze andere gevaarlijke goederen.

 

3.4.12

Afzenders van gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden moeten voorafgaand aan het vervoer aan de vervoerder de totale bruto massa van dergelijke te verzenden goederen op aantoonbare wijze meedelen.

 

3.4.13

  1. Transporteenheden met een maximale massa van meer dan 12 ton die gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden vervoeren, moeten overeenkomstig 3.4.15 aan de voorzijde en de achterzijde van merktekens zijn voorzien, behalve indien de transporteenheid andere gevaarlijke goederen bevat waarvoor een kenmerking met oranje borden overeenkomstig 5.3.2 vereist is.

    Is dat laatste het geval, dan mag ofwel alleen de vereiste kenmerking met oranje borden ofwel zowel de kenmerking met oranje borden overeenkomstig 5.3.2 als de merktekens overeenkomstig 3.4.15 op de transporteenheid weergegeven zijn.

  2. Containers waarin gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd op transporteenheden met een maximale massa van meer dan 12 ton, moeten overeenkomstig 3.4.15 aan alle vier de zijden van merktekens zijn voorzien, behalve indien de container andere gevaarlijke goederen bevat waarvoor het aanbrengen van grote etiketten overeenkomstig 5.3.1 vereist is. Is dat laatste het geval, dan mogen ofwel alleen de vereiste grote etiketten ofwel zowel de grote etiketten overeenkomstig 5.3.1 als de merktekens overeenkomstig 3.4.15 op de container weergegeven zijn.
    De dragende transporteenheid hoeft niet van merktekens te zijn voorzien, behalve indien de merktekens die op de containers zijn aangebracht van buiten deze dragende transporteenheid niet zichtbaar zijn.

    In het laatste geval moet dezelfde kenmerking zijn aangebracht aan de voorzijde en de achterzijde van de transporteenheid.

 

3.4.14

Van de merktekens aangegeven in 3.4.13 kan worden afgezien indien de totale bruto massa van de vervoerde colli, die gevaarlijke goederen bevatten, verpakt in gelimiteerde hoeveelheden, 8 ton per transporteenheid niet overschrijdt.

 

3.4.15

De merktekens gespecificeerd in 3.4.13 moeten overeenkomen met die welke is voorgeschreven in 3.4.7, behalve dat de afmetingen ten minste 250 mm x 250 mm moeten bedragen. Deze merktekens moeten zijn verwijderd of afgedekt indien geen gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd.

 

EXCEPTED QUANTITIES : E0

3.5.1

Vrijgestelde hoeveelheden

3.5.1.1

Vrijgestelde hoeveelheden van gevaarlijke goederen van bepaalde klassen - met uitzondering van voorwerpen - die aan de bepalingen van dit hoofdstuk voldoen, zijn aan geen enkele andere bepaling van het ADR onderworpen, behalve aan:

  1. de voorschriften voor de opleiding in hoofdstuk 1.3;
  2. de procedures voor de classificatie en de criteria voor de verpakkingsgroepen in deel 2;
  3. de verpakkingsvoorschriften van 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4 en 4.1.1.6.

Opmerking: In het geval van radioactieve stoffen zijn de voorschriften voor radioactieve stoffen in vrijgestelde colli in 1.7.1.5 van toepassing.

 

3.5.1.2

Gevaarlijke goederen die als vrijgestelde hoeveelheden mogen worden vervoerd overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn in kolom (7b) van tabel A van hoofdstuk 3.2 als volgt door een alfanumerieke code aangegeven:

Code  

Grootste netto hoeveelheid
per binnenverpakking

(in grammen voor vaste stoffen en in ml voor vloeistoffen en gassen)

Grootste netto hoeveelheid per buitenverpakking
(in grammen voor vaste stoffen en in ml voor vloeistoffen en gassen, of de som van grammen en ml in het geval van gezamenlijke verpakking)
E0 Niet toegestaan als vrijgestelde hoeveelheid
E1 30 1000
E2 30 500
E3 30 300
E4 1 500
E5 1 300

Bij gassen heeft het volume aangegeven voor binnenverpakkingen betrekking op de waterinhoud van de binnenhouder en het volume aangegeven voor buitenverpakkingen heeft betrekking op de gecombineerde waterinhoud van alle binnenverpakkingen binnen één enkele buitenverpakking.

 

3.5.1.3

Indien gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden, waaraan verschillende codes zijn toegekend, gezamenlijk zijn verpakt, moet de totale hoeveelheid per buitenverpakking zijn beperkt tot die welke overeenkomt de meest restrictieve code.

 

3.5.1.4

Vrijgestelde hoeveelheden van gevaarlijke goederen waaraan de codes E1, E2, E4 en E5 zijn toegekend, met een grootste netto hoeveelheid gevaarlijke goederen per binnenverpakking die voor vloeistoffen en gassen tot 1 ml en voor vaste stoffen tot 1 g beperkt is en een grootste netto hoeveelheid gevaarlijke goederen per buitenverpakking van ten hoogste 100 g voor vaste stoffen of 100 ml voor vloeistoffen en gassen, zijn alleen onderworpen aan:

  1. de voorschriften van 3.5.2, behalve dat geen tussenverpakking is vereist indien de binnenverpakkingen op zodanige wijze veilig in een buitenverpakking met opvulmateriaal zijn verpakt dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken of worden doorboord noch hun inhoud kunnen verliezen, en, voor vloeistoffen, indien de buitenverpakking een voldoende hoeveelheid absorberend materiaal bevat voor het opnemen van de totale inhoud van de binnenverpakkingen; en
  2. de voorschriften van 3.5.3

 

3.5.2

Verpakkingen
Verpakkingen, gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden, moeten in overeenstemming zijn met het volgende:

  1. Er moet een binnenverpakking zijn en elke binnenverpakking moet zijn vervaardigd van kunststof (met een minimumwanddikte van 0,2 mm bij gebruik voor vloeistoffen) of van glas, porselein, steengoed, aardewerk of metaal (zie ook 4.1.1.2) en de sluiting van elke binnenverpakking moet op veilige wijze zijn gefixeerd met draad, band of andere werkzame middelen; houders die een hals met gegoten schroefdraad hebben, moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte schroefdop. De sluiting moet bestand zijn tegen de inhoud;
  2. Elke binnenverpakking moet op veilige wijze zijn verpakt in een tussenverpakking met opvulmateriaal op een zodanige wijze, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken, worden doorboord of de inhoud verliezen. Bij vloeibare gevaarlijke goederen moet de tussen- of buitenverpakking genoeg absorberend materiaal bevatten om de volledige inhoud van de binnenverpakking te absorberen. Bij plaatsing in de tussenverpakking mag het absorberend materiaal het opvulmateriaal zijn. Gevaarlijke stoffen mogen niet gevaarlijk reageren met het opvulmateriaal, het absorberend materiaal en het materiaal van de verpakking of de ongeschonden staat of de functie van de materialen reduceren. Ongeacht de stand van de verpakking moet deze de inhoud volledig kunnen bevatten in geval van breuk of lekkage;
  3. De tussenverpakking moet op veilige wijze worden verpakt in een stevige, stijve buitenverpakking (hout, karton of een ander even stevig materiaal);
  4. Elk type collo moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van 3.5.3;
  5. Elk collo moet zo groot zijn dat er voldoende ruimte is voor het aanbrengen van alle noodzakelijke kenmerken; en
  6. Oververpakkingen mogen worden gebruikt en mogen ook colli met gevaarlijke goederen bevatten of goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

 

3.5.3

Beproevingen voor de colli

3.5.3.1

Het volledige collo als voor het vervoer gereed gemaakt, met binnenverpakkingen die in het geval van vaste stoffen tot ten minste 95 % van hun inhoud en in het geval van vloeistoffen tot ten minste 98 % van hun inhoud zijn gevuld, moeten in staat zijn, zoals aangetoond door beproevingen die op passende wijze zijn gedocumenteerd, zonder breuk of lekkage van een binnenverpakking en zonder aanmerkelijke vermindering van de doeltreffendheid te doorstaan:

  1. Valproeven op een op een star, niet veerkrachtig vlak en horizontaal oppervlak van een hoogte van 1,8 m:
    1. Indien het monster de vorm heeft van een kist of doos, moet de valproef worden uitgevoerd in alle volgende oriëntatierichtingen:
      • plat op de bodem;
      • plat op de bovenzijde;
      • plat op de langste zijde;
      • plat op de kortste zijde;
      • op een hoek;
    2. Indien het monster de vorm heeft van een vat moet de valproef worden uitgevoerd in alle volgende oriëntatierichtingen:
      • diagonaalsgewijs op de bovenrand met het zwaartepunt loodrecht boven het trefpunt;
      • diagonaalsgewijs op de bodemrand;
      • plat op de zijde;

        Opmerking: Elke hierboven genoemde valproef mag met verschillende doch identieke colli worden uitgevoerd.

  2. Een kracht die gedurende 24 uur op het bovenoppervlak wordt aangebracht en die overeenkomt met de totale massa van identieke colli, gestapeld tot een hoogte van 3 m (het monster inbegrepen).

 

3.5.3.2

Voor beproevingsdoeleinden mogen de stoffen die in de verpakking vervoerd zullen worden door andere stoffen worden vervangen behalve indien dit de resultaten van de beproevingen ongeldig zou maken. Indien in het geval van vaste stoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet deze dezelfde fysische eigenschappen (massa, korrelgrootte, etc.) bezitten als de te vervoeren stof.
Indien bij de valproef voor vloeistoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet de relatieve dichtheid en viscositeit daarvan vergelijkbaar zijn met die van de vervoeren stof.

 

3.5.4

Kenmerking van colli

3.5.4.1

Colli die vrijgestelde hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten, die overeenkomstig dit hoofdstuk gereedgemaakt zijn, moeten duurzaam en leesbaar van het kenmerk, afgebeeld in 3.5.4.2, zijn voorzien. Het eerste of het enige nummer van het gevaarsetiket, aangegeven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 van elk gevaarlijk goed dat zich in het collo bevindt moet worden vermeld op het kenmerk. Indien de naam van de afzender of geadresseerde niet elders op het collo is vermeld, moet deze informatie op het kenmerk worden opgenomen.

 

3.5.4.2

Kenmerk voor vrijgestelde hoeveelheden

3.5 EQ 1

Kenmerk voor vrijgestelde hoeveelheden

* Het nummer van het eerste of het enige gevaarsetiket aangegeven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 moet op deze plaats zijn aangegeven.

** De naam van de afzender of de geadresseerde moet op deze plaats zijn aangegeven indien deze niet elders op het collo is te zien.

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant. De arcering en het symbool moeten dezelfde kleur hebben (zwart of rood) en zijn aangebracht op een witte of geschikte contrasterende achtergrond. De minimale afmetingen zijn 100 mm x 100 mm. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.5.4.3

Gebruik van oververpakkingen
Voor een oververpakking die gevaarlijke goederen bevat verpakt in vrijgestelde hoeveelheden, geldt het volgende:

Tenzij de kenmerken representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking:

  • de aanduiding “OVERVERPAKKING” bevatten. De letters van het woord “OVERVERPAKKING” moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en
  • zijn gekenmerkt met de kenmerken vereist volgens dit hoofdstuk.

De overige bepalingen van 5.1.2.1 zijn alleen van toepassing indien de oververpakking andere gevaarlijke goederen bevat die niet verpakt zijn in vrijgestelde hoeveelheden en dan slechts in verband met deze andere gevaarlijke goederen.

 

3.5.5

Hoogste aantal colli in een voertuig of container
Het aantal colli in een voertuig of container mag 1000 niet overschrijden.

 

3.5.6

Documentatie
Indien een document of documenten (zoals een cognossement, een luchtvrachtbrief of een CMR/CIM-vrachtbrief) bij de gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden aanwezig is/zijn, moet in ten minste één van deze documenten de verklaring "GEVAARLIJKE GOEDEREN IN VRIJGESTELDE HOEVEELHEDEN" en het aantal colli zijn opgenomen.

 

BENAMING / BESCHRIJVING (KOLOM 2)

Dutch

Dutch

ETHYLEEN, STERK GEKOELD, VLOEIBAAR (ETHEEN, STERK GEKOELD, VLOEIBAAR)

English

English

ETHYLENE, REFRIGERATED LIQUID

German

German

ETHYLEN, TIEFGEKÜHLT, FLÜSSIG

French

French

ÉTHYLÈNE LIQUIDE RÉFRIGÉRÉ

VOORGESCHREVEN ETIKETTEN (KOLOM 5)

    HOOFDSTUK 3.3 - BIJZONDERE BEPALINGEN- KOLOM 6

    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 6 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 4.1.4 - VERPAKKINGSINSTRUCTIES & BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 8 & 9A
    P-203

    VERPAKKINGSINSTRUCTIE P203

    P203 1

    P203 2


    HOOFDSTUK 4.1.10 - BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN VOOR GEZAMELIJKE VERPAKKING - KOLOM 9B
    • Bepaling MP 9

      Mag gezamenlijk worden verpakt in een buitenverpakking voor samengestelde verpakkingen volgens 6.1.4.21:

      • met andere goederen van klasse 2;
      • met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor goederen van deze klassen is toegestaan; of
      • met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR,

      onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.


    HOOFDSTUK 4.2.5.2 & 7.3.2 - TRANSPORTTANKS EN BULKCONTAINERS - INSTRUCTIES - KOLOM 10
    • 4.2.5.2.6 : Transportinstructies T75

      TRANSPORTTANK-INSTRUCTIE

      T75

      Deze transporttank-instructie is van toepassing op sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen. Aan de algemene voorschriften van sectie 4.2.3 en de voorschriften van sectie 6.7.4 moet worden voldaan.

       

       


    HOOFDSTUK 4.2.5.3 - TRANSPORTTANKS & BULKCONTAINERS - BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 11
    • Bepaling TP 05

      Aan de vullingsgraad, voorgeschreven in 4.2.3.6, moet worden voldaan.

       


    HOOFDSTUK 4.3 - TANKCODE - KOLOM 12
      • HOOFDSTUK 4.3.3.1.1 - CODERING VAN TANKS

        De codering van tanks, batterijwagens en MEGC's
        De vier delen van de in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 gegeven codes (tankcodes) hebben de volgende betekenissen:

        DEEL  OMSCHRIJVING TANKCODE
        1 Type tank, batterijwagen of MEGC

        C = tank, batterijwagen of MEGC voor samengeperste gassen

        P = tank, batterijwagen of MEGC voor vloeibaar gemaakte gassen of opgeloste gassen

        R = tank voor sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen

        2 Berekeningsdruk X = waarde   van   de   minimale   beproevingsdruk   van   toepassing volgens de tabel in 4.3.3.2.5 of 22 = minimale berekeningsdruk in bar
        3 Openingen (zie 6.8.2.2
        en 6.8.3.2)

        B = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de onderzijde met 3 sluitingen; of batterijwagen of MEGC met openingen onder de vloeistofspiegel of voor samengeperste gassen

        C = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde met 3 sluitingen, met onder de vloeistofspiegel alleen reinigingsopeningen

        D = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde met 3 sluitingen; of batterijwagen of MEGC zonder     openingen onder de vloeistofspiegel

        4 Veiligheidskleppen/- inrichtingen

        N = tank, batterijwagen of MEGC met veiligheidsklep volgens 6.8.3.2.9 of 6.8.3.2.10 die niet hermetisch gesloten is

        H = hermetisch gesloten tank, batterijwagen of MEGC (zie 1.2.1)

        • Opmerking 1: De in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 voor bepaalde gassen aangegeven bijzondere bepaling TU17 betekent dat het gas alleen in een batterijwagen of MEGC mag worden vervoerd, waarvan de elementen uit houders bestaan.
        • Opmerking 2: De in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 voor bepaalde gassen aangegeven bijzondere bepaling TU40 betekent dat het gas alleen in een batterijwagen of MEGC mag worden vervoerd waarvan de elementen uit naadloze houders bestaan
        • Opmerking 3: De op de tank zelf of op de plaat aangegeven drukken moeten ten minste de waarde "X" of die van de minimale berekeningsdruk hebben.

         

      • HOOFDSTUK 4.3.3.1.2 - TANKHIËRARCHIE

        Tankhiërarchie

        Tankcode    Andere tankcode(s) die voor de stoffen onder deze tankcode zijn toegestaan
        C*BN C#BN, C#CN, C#DN, C#BH, C#CH, C#DH
        C*BH  C#BH, C#CH, C#DH
        C*CN C#CN, C#DN, C#CH, C#DH
        C*CH C#CH, C#DH
        C*DN C#DN, C#DH
        C#DH C#DH
        P*BN P#BN, P#CN, P#DN, P#BH, P#CH, P#DH
        P*BH P#BH, P#CH, P#DH
        P*CN P#CN, P#DN, P#CH, P#DH
        P*CH P#CH, P#DH
        P*DN P#DN, P#DH
        P*DH P#DH
        R*BN R#BN, R#CN, R#DN
        R*CH R#CN, R#DN
        R*DN R#DN

        Het door # voorgestelde cijfer moet gelijk zijn aan of groter zijn dan het door * voorgestelde cijfer.

        Opmerking: In deze hiërarchie wordt geen rekening gehouden met bijzondere bepalingen (zie 4.3.5 en 6.8.4) voor elke positie.

         

      • HOOFDSTUK 4.3.3.2 - VOORWAARDEN VULLEN & BEPROEVINGSDRUK

        4.3.3.2 - Voorwaarden voor het vullen en beproevingsdrukken

        Voorwaarden voor het vullen en beproevingsdrukken

        4.3.3.2.1

        Voor tanks, bestemd voor het vervoer van samengeperste gassen, moet de beproevingsdruk ten minste het 1,5-voudige van de in 1.2.1 voor drukhouders gedefinieerde bedrijfsdruk bedragen.

         

        4.3.3.2.2
        De beproevingsdruk voor tanks, bestemd voor het vervoer van:

        • onder hoge druk vloeibaar gemaakte gassen; en
        • opgeloste gassen

        moet zodanig zijn dat, indien het reservoir tot de hoogst toelaatbare vullingsgraad gevuld is, de druk van de stof bij 55 oC, voor tanks met warmte-isolerende bescherming, of bij 65 oC, voor tanks zonder warmte-isolerende bescherming, de beproevingsdruk niet overschrijdt.

        4.3.3.2.3

        Voor tanks, bestemd voor het vervoer van onder lage druk vloeibaar gemaakte gassen, is de voorgeschreven beproevingsdruk:

        1. indien de tank is voorzien van een warmte-isolerende bescherming, ten minste gelijk aan de dampdruk van de vloeistof bij 60 oC, verminderd met 0,1 MPa (1 bar), maar ten minste 1 MPa (10 bar);
        2. Indien de tank niet is voorzien van een warmte-isolerende bescherming, ten minste gelijk aan de dampdruk van de vloeistof bij 65 oC, verminderd met 0,1 MPa (1 bar), maar ten minste 1 MPa (10 bar).

        De hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud wordt als volgt berekend:
        Hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud = 0,95 x dichtheid van de vloeistoffase bij 50 oC (in kg/l)

        Bovendien mag de dampfase beneden 60 oC niet verdwijnen.
        Indien de diameter van de tanks niet meer dan 1,5 meter bedraagt, worden voor de beproevingsdruk en de maximale vullingsgraad de waarden volgens verpakkingsinstructie P200 in 4.1.4.1 toegepast.

         

        4.3.3.2.4

        Voor tanks, bestemd voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte, gassen moet de beproevingsdruk ten minste 1,3 x de op de tank aangegeven hoogst toelaatbare bedrijfsdruk zijn, maar ten minste 300 kPa (3 bar) (overdruk); voor tanks met een vacuümisolatie moet de beproevingsdruk gelijk zijn aan ten minste 1,3 x de met 100 kPa (1 bar) verhoogde waarde van de hoogst toelaatbare bedrijfsdruk.

         

        4.3.3.2.5

        Tabel van de gassen en gasmengsels, die in vaste tanks (tankwagens), batterijwagens, afneembare tanks, tankcontainers en MEGC's mogen worden vervoerd, waarin de minimale beproevingsdruk voor de tanks, en, indien van toepassing, de hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud is aangegeven.
        Voor gassen en gasmengsels, die onder een n.e.g.-positie zijn ingedeeld, moeten de waarden voor de beproevingsdruk en de hoogst toelaatbare massa van de vulling per liter inhoud worden voorgeschreven door de deskundige, erkend door de bevoegde autoriteit.

        Indien tanks, bestemd voor het vervoer van samengeperste of onder hoge druk vloeibaar gemaakte gassen onderworpen zijn aan een beproevingsdruk lager dan die, welke in de tabel staat aangegeven, en de tanks zijn voorzien van een warmte-isolerende bescherming, kan de door de bevoegde autoriteit erkende deskundige een lagere hoogst toelaatbare massa voorschrijven, onder voorwaarde dat de druk van de stof in de tank bij 55 oC de op de tank ingeslagen beproevingsdruk niet overschrijdt.

          MINIMALE  BEPROEVINGSDRUK VOOR TANKS HOOGST TOELAATBARE
        MASSA VAN  DE VULLING PER LITER  INHOUD
         
        Met warmte- isolerende
        bescherming
        Zonder warmte- isolerende bescherming

        UNNR

         BENAMING CLASS
        CODE
        MPa bar MPa bar kg
        1001 Acetyleen (ethyn), opgelost 4 F alleen in batterijwagens en MEGC's samengesteld uit houders
        1002 Lucht, samengeperst 1 A zie 4.3.3.2.1      
        1003 Lucht, sterk gekoeld, vloeibaar 3 O zie 4.3.3.2.4      
        1005 Ammoniak, watervrij 2 TC 2,6 26 2,9 29 0,53
        1006 Argon, samengeperst 1 A zie 4.3.3.2.1      
        1008 Boortrifluoride 2 TC 22,5
        30
        225
        300
        22,5
        30
        225
        300
        0,715
        0,86
        1009 Broomtrifluormethaan (Koelgas R 13B1) 2 A 12 120 4,2
        12
        25
        42
        120
        250
        1,50
        1,13
        1,44
        1,60
          Butadienen,
        gestabiliseerd
        (1,2-butadieen) of
          1 10 1 10 0,59
        1010     1 10 1 10 0,55
          Butadienen,
        gestabiliseerd
        (1,3-butadieen) of
        2 F
         

        Mengsel van butadienen en koolwaterstof, gestabiliseerd

        1 10 1 10 0,50
        1011 Butaan 2 F 1 10 1 10 0,51
        1012 1-Buteen of 2F 1 10 1 10 0,53
          trans-2-buteen of   1 10 1 10 0,54
          cis-2-buteen of   1 10 1 10 0,55
          mengsel van butenen   1 10 1 10 0,50
        1013 Kooldioxide 2 A 19
        22,5
        190
        225
        19
        25
        190
        250
        0,73
        0,78
        0,66
        0,75
        1016 Koolmonoxide, samengeperst 1 TF zie 4.3.3.2.1      
        1017 Chloor 2 TOC 1,7 17 1,9 19 1,25
        8
        1018 Chloordifluormethaan (Koelgas R 22) 2 A 2,4 24 2,6 26 1,03
        1612 Mengsel van hexaethyltetrafosfaat en samengeperst gas 1 T zie 4.3.3.2.1
        1749 Chloortrifluoride 2 TOC 3 30 3 30 1,40
        1858 Hexafluorpropeen
        (Koelgas R 1216)
        2A 1,7 17 1,9 19 1,11
        1859 Siliciumtetrafluoride 2 TC 20
        30
        200
        300
        20
        30
        200
        300
        0,74
        1,10
        1860 Vinylfluoride,
        gestabiliseerd
        2 F 12
        22,5
        120
        225
        25 250 0,58
        0,65
        0,64
        1912 Mengsel van methylchloride en dichloormethaan 2 F 1,3 13 1,5 15 0,81
        1913 Neon, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
        1951 Argon, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
        1952 Mengsel van
        ethyleenoxide en kooldioxide met ten hoogste 9%
        ethyleenoxide
        2 A 19
        25
        190
        250
        19
        25
        190
        250
        0,66
        0,75
        1953 Samengeperst gas,
        giftig, brandbaar,
        n.e.g. a
        1 TF zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        1954 Samengeperst gas, brandbaar, n.e.g. 1 F zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        1955 Samengeperst gas,
        giftig, n.e.g. a
        1 T zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        1956 Samengeperst gas,
        n.e.g.
        1 A zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        1957 Deuterium,
        samengeperst
        1 F zie 4.3.3.2.1
        1958 1,2-Dichloor-
        1,1,2,2-tetrafluor
        ethaan (Koelgas R 114)
        2 A 1 10 1 10 1,3
        1959 1,1-Difluorethyleen (Koelgas R 1132a) 2 F 12
        22,5
        120
        225
        25 250 0,66
        0,78
        0,77
        1961 Ethaan, sterk gekoeld, vloeibaar 3 F zie 4.3.3.2.4
        1962 Ethyleen (etheen) 2 F 12
        22,5
        120
        225
        22,5
        30
        225
        300
        0,25
        0,36
        0,34
        0,37
        1963 Helium, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4                                                          9
        1964 Mengsel van koolwaterstofgassen, samengeperst, n.e.g. 1 F zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2

         

        UNNR BENAMING CLASS CODE MINIMALE BEPROEVINGSDRUK VOOR TANKS HOOGST TOELAATBARE
        MASSA VAN  DE VULLING PER LITER  INHOUD
        Met warmte- isolerende bescherming Zonder warmte- isolerende
        bescherming
        MPa bar MPa bar kg
        1982 Tetrafluormethaan (Koelgas R 14) 2 A 20
        30
        200
        300
        20
        30
        200
        300
        0,62
        0,94
        1983 1-Chloor-2,2,2-trifluorethaan (Koelgas R 133a) 2 A 1 10 1 10 1,18
        1984 Trifluormethaan (Koelgas R 23) 2 A 19
        25
        190
        250
        19
        25
        190
        250
        0,92
        0,99
        0,87
        0,95
        2034 Mengsel van waterstof en methaan, samengeperst 1 F zie 4.3.3.2.1
        2035 1,1,1-Trifluorethaan (Koelgas R 143a) 2 F 2,8 28 3,2 32 0,79
        2036 Xenon 2 A 12 120 13 130 1,30
        1,24
        2044 2,2-Dimethylpropaan 2 F 1 10 1 10 0,53
        2073 Ammoniak, oplossing in water, met een dichtheid bij 15 oC lager dan 0,880 kg/l, 4 A          
        met meer dan 35% en ten hoogste 40% ammoniak 1 10 1 10 0,80
        met meer dan 40% en ten hoogste 50% ammoniak   1,2 12 1,2 12 0,77
        2187 Kooldioxide, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
        2189 Dichloorsilaan 2 TFC 1 10 1 10 0,90
        2191 Sulfurylfluoride 2 T 5 50 5 50 1,1
        2193 Hexafluorethaan (Koelgas R 116) 2 A 16
        20
        160
        200
        20 200 1,28
        1,34
        1,10
        2197 Joodwaterstof, watervrij 2 TC 1,9 19 2,1 21 2,25
        2200 Propadieen, gestabiliseerd 2 F 1,8 18 2,0 20 0,50
        2201 Distikstofoxide, sterk gekoeld, Vloeibaar 3 O zie 4.3.3.2.4
        2203 Siliciumwaterstof (silaan) b 2 F 22,5
        25
        225
        250
        22,5
        25
        225
        250
        0,32
        0,36
        2204 Carbonylsulfide 2 TF 2,7 27 3,0 30 0,84
        2417 Carbonylfluoride 2 TC 20
        30
        200
        300
        20
        30
        200
        300
        0,47
        0,70
        2419 Broomtrifluorethyleen 2 F 1 10 1 10 1,19
        2420 Hexafluoraceton 2 TC 1,6 16 1,8 18 1,08
        2422 Octafluor-2-buteen (Koelgas R 1318) 2 A 1 10 1 10 1,34
        2424 Octafluorpropaan (Koelgas R 218) 2 A 2,1 21 2,3 23 1,07
        2451 Stikstoftrifluoride 2 O 20
        30
        200
        300
        20
        30
        200
        300
        0,50
        0,75
        2452 Ethylacetyleen, gestabiliseerd 2 F 1 10 1 10 0,57
        2453 Ethylfluoride (Koelgas R 161) 2 F 2,1 21 2,5 25 0,57
        2454 Methylfluoride (Koelgas R 41) 2 F 30 300 30 300 0,36
        2517 1-Chloor-1,1-difluorethaan (Koelgas R 142b) 2 F 1 10 1 10 0,99
        2591 Xenon, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
        2599 Azeotropisch mengsel van chloortrifluormethaan en trifluormethaan, dat ca. 60% chloortrifluormethaan bevat (Koelgas R 503) 2 A 3,1
        4,2
        10
        31
        42
        100
        3,1
        4,2
        10
        31
        42
        100
        0,11
        0,21
        0,76
        0,20
        0,66
        2601 Cyclobutaan 2 F 1 10 1 10 0,63
        2602 Azeotropisch mengsel van dichloordifluormethaan en
        1,1-difluorethaan, dat ca. 74%
        dichloordifluormethaan bevat (Koelgas R 500)
        2 A 1,8 18 2 20 1,01
        2901 Broomchloride 2 TOC 1 10 1 10 1,50
        3057 Trifluoracetylchloride 2 TC 1,3 13 1,5 15 1,17
        3070 Mengsel van ethyleenoxide en dichloordifluormethaan met ten
        hoogste 12,5% ethyleenoxide
        2 A 1,5 15 1,6 16 1,09
        3083 Perchlorylfluoride 2 TO 2,7 27 3,0 30 1,21
        3136 Trifluormethaan, sterk gekoeld, vloeibaar 3 A zie 4.3.3.2.4
        3138 Mengsel van ethyleen, acetyleen en propyleen, sterk gekoeld, vloeibaar, met ten minste 71,5% ethyleen, ten hoogste 22,5% acetyleen en ten hoogste 6% propyleen 3 F zie 4.3.3.2.4
        3153 Perfluor(methylvinyl)ether 2 F 1,4 14 1,5 15 1,14
        3154 Perfluor(ethylvinyl)ether 2 F 1 10 1 10 0,98
        3156 Samengeperst gas, oxiderend, n.e.g. 1 O zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        3157 Vloeibaar gemaakt gas, oxiderend, n.e.g. 2 O zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3158 Sterk gekoeld, vloeibaar gas, n.e.g. 3 A zie 4.3.3.2.4
        3159 1,1,1,2-Tetrafluorethaan (Koelgas R 134a) 2 A 1,6 16 1,8 18 1,04
        3160 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, brandbaar, n.e.g. a 2 TF zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3161 Vloeibaar gemaakt gas, brandbaar, n.e.g. 2 F zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3162 Vloeibaar gemaakt gas, giftig,
        n.e.g. a
        2 T zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3163 Vloeibaar gemaakt gas, n.e.g. 2 A zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3220 Pentafluorethaan (Koelgas R 125) 2 A 4,1 41 4,9 49 0,95
        3252 Difluormethaan (Koelgas R 32) 2 F 3,9 39 4,3 43 0,78
        3296 Heptafluorpropaan (Koelgas R 227) 2 A 1,4 14 1,6 16 1,20
        3297 Mengsel van ethyleenoxide en chloortetrafluorethaan met ten hoogste 8,8% ethyleenoxide 2 A 1 10 1 10 1,16
        3298 Mengsel van ethyleenoxide en pentafluorethaan met ten hoogste 7,9% ethyleenoxide 2 A 2,4 24 2,6 26 1,02
        3299 Mengsel van ethyleenoxide en tetrafluorethaan met ten hoogste 5,6% ethyleenoxide 2 A 1,5 15 1,7 17 1,03
        3300 Mengsel van ethyleenoxide en kooldioxide met meer dan 87% ethyleenoxide 2 TF 2,8 28 2,8 28 0,73
        3303 Samengeperst gas, giftig, oxiderend, n.e.g.a 1 TO zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        3304 Samengeperst gas, giftig, bijtend, n.e.g.a 1 TC zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        3305 Samengeperst gas, giftig, brandbaar, bijtend, n.e.g.a 1 TFC zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        3306 Samengeperst gas, giftig, oxiderend, bijtend, n.e.g.a 1 TOC zie 4.3.3.2.1 of 4.3.3.2.2
        3307 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, oxiderend, n.e.g.a 2 TO zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3308 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, bijtend, n.e.g.a 2 TC zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3309 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, brandbaar, bijtend, n.e.g.a 2 TFC zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3310 Vloeibaar gemaakt gas, giftig, oxiderend, bijtend, n.e.g.a 2 TOC zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3311 Sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas, oxiderend, n.e.g. 3 O zie 4.3.3.2.4
        3312 Sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas, brandbaar, n.e.g. 3 F zie 4.3.3.2.4
        3318 Ammoniak, oplossing in water, met een relatieve dichtheid bij 15 oC lager dan 0,880, met meer dan 50% ammoniak 4 TC zie 4.3.3.2.2
        3337 Koelgas R 404A 2 A 2,8 28 3,2 32 0,84
        3338 Koelgas R 407A 2 A 2,8 28 3,2 32 0,95
        3339 Koelgas R 407B 2 A 3,0 30 3,3 33 0,95
        3340 Koelgas R 407C 2 A 2,7 27 3,0 30 0,95
        3354 Insecticide, gas, brandbaar, n.e.g. 2 F zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
        3355 Insecticide, gas, giftig, brandbaar, n.e.g. 2 TF zie 4.3.3.2.2 of 4.3.3.2.3
      • HOOFDSTUK 4.3.3.3 - BEDRIJF

        4.3.3.3 - Bedrijf

        4.3.3.3.1

        Indien tanks, batterijwagens of MEGC's voor verschillende gassen zijn toegelaten, moet een wijziging van het gebruik daarvan de handelingen lossen, reinigen, en ontgassen omvatten in de mate, vereist voor het veilig functioneren.

         

        4.3.3.3.2

        Bij het ten vervoer aanbieden van tanks, batterijwagens of MEGC's mogen uitsluitend de aanduidingen volgens 6.8.3.5.6 die betrekking hebben op het gas, dat op dat ogenblik is geladen of dat tevoren is gelost, zichtbaar zijn; alle aanduidingen die betrekking hebben op andere gassen, moeten worden afgedekt.

         

        4.3.3.3.3
        De elementen van een batterijwagen of MEGC mogen slechts één en hetzelfde gas bevatten.

        4.3.3.3.2
        Indien de uitwendige overdruk de weerstand van de tank tegen uitwendige druk zou kunnen overstijgen (bijv. als gevolg van lage omgevingstemperaturen), moeten passende maatregelen worden genomen om tanks die onder lage druk vloeibaar gemaakte gassen vervoeren tegen het risico van vervorming te beschermen, bijv. door ze te vullen met stikstof of een ander inert gas om voldoende inwendige druk te in stand te houden.

      • HOOFDSTUK 4.3.3.5 - BEPALEN WERKELIJKE VERBLIJFTIJD

        4.3.3.5 - van toepassing op tankcontainers, wissellaadtanks en MEGC’s

        De werkelijke verblijftijd moet op basis van onderstaande factoren worden bepaald voor elk traject van een tankcontainer waarin een sterk gekoeld, vloeibaar gemaakt gas wordt vervoerd:

        a.  de referentie-verblijftijd voor het te vervoeren sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gas (zie 6.8.3.4.10) zoals aangegeven op de plaat die wordt genoemd in 6.8.3.5.4;
        b.  de werkelijke vuldichtheid;
        c.  de werkelijke vuldruk;
        d.  de laagste ingestelde druk van de drukbegrenzende voorziening(en);
        e.  de afbraak van de isolatie 44.

        Opmerking: ISO 21014:2006 ‘Cryogene vaten – Cryogene isolatieprestatie’ voorziet in methoden voor het bepalen van de isolatieprestatie van cryogene vaten alsmede in een methode voor het berekenen van de verblijftijd.

        De datum waarop de werkelijke verblijftijd eindigt, moet worden opgenomen in het vervoersdocument (zie 5.4.1.2.2. d)).

         


    HOOFDSTUK 4.3.5 & 6.8.4 - BIJZONDERE BEPALINGEN - KOLOM 13
    • Bijzondere bepaling TA 04

      De procedures voor de conformiteitsbeoordeling van sectie 1.8.7 moeten worden toegepast door de bevoegde autoriteit, haar afgevaardigde of de onderzoeksinstantie overeenkomstig 1.8.6.2, 1.8.6.4, 1.8.6.5 en 1.8.6.8 en geaccrediteerd volgens EN ISO/IEC 17020:2012 (uitgezonderd bepaling 8.1.3) type A.
    • Bijzondere bepaling TT 09

      Voor onderzoeken en beproevingen (met inbegrip van toezicht op de fabricage) moeten de procedures van sectie 1.8.7 worden toegepast door de bevoegde autoriteit, haar afgevaardigde of de onderzoeksinstantie overeenkomstig 1.8.6.2, 1.8.6.4, 1.8.6.5 en 1.8.6.8 en geaccrediteerd volgens EN ISO/IEC 17020: 2012 (uitgezonderd bepaling 8.1.3) type A.
    • Bijzondere bepaling TU-18

      De vullingsgraad moet beneden het niveau blijven waarbij, - indien de inhoud op de temperatuur gebracht wordt, waarbij de dampdruk gelijk is aan de openingsdruk van de veiligheidskleppen , het volume van de vloeistoffase de waarde van 95% van de inhoud van de tank bij deze temperatuur zou bereiken. De bepaling in 4.3.2.3.4 is niet van toepassing

    • Bijzondere bepaling TE 01

      Alle vul- en losaansluitingen, inclusief die in de dampfase, van tanks bedoeld voor het vervoer van brandbare gekoelde vloeibaar gemaakte gassen, moeten worden uitgerust met een automatische afsluitklep die direct sluit (zie 6.8.3.2.3) Deze bevindt zich zo dicht mogelijk bij de tank.

    HOOFDSTUK 9.1.1.2 - VOERTUIG TANKVERVOER - KOLOM 14
    • FL-voertuig

      1. een voertuig, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 60 °C (met uitzondering van dieselolie die voldoet aan de norm EN 590:2013 + A1:2017, gasolie en lichte stookolie - UN-nummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:2013 + A1:2017) in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m³ of in tankcontainers of transporttanks met een individuele inhoud van meer dan 3 m³; of
      2. een voertuig, bestemd voor het vervoer van brandbare gassen in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m3 of in tankcontainers, transporttanks of MEGC's met een individuele inhoud van meer dan 3 m3; of
      3. een batterijwagen met in totaal een inhoud van meer dan 1 m³, bestemd voor het vervoer van brandbare gassen; of
      4. een voertuig, bestemd voor het vervoer van waterstofperoxide, gestabiliseerd of waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 60% waterstofperoxide (klasse 5.1, UN 2015) in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m³, of in tankcontainers of transporttanks met een individuele inhoud van meer dan 3 m³;

      Meer informatie over constructie, bouw, goedkeuring etc. in deel 9 van het ADR


    HOOFDSTUK 1.1.3.6 & 8.6 - VERVOERSCATEGORIE & TUNNELBEPERKING - KOLOM 15

    VERVOERS CATEGORIE
    2

    1000 PUNTEN TABEL
    MAX 333 KG / LTR

    1.1.3.6 - VRIJSTELLINGEN / 1000 PUNTEN TABEL

    1.1.3.6  Vrijstellingen in samenhang met de vervoerde hoeveelheden per transporteenheid

    1.1.3.6.1
    Voor de toepassing van deze subsectie zijn gevaarlijke goederen ingedeeld in vervoerscategorieën 0, 1, 2, 3 of 4, zoals aangegeven in kolom (15) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Lege ongereinigde verpakkingen die stoffen hebben bevat, welke zijn ingedeeld in vervoerscategorie “0”, worden ook ingedeeld in vervoerscategorie “0”. Lege ongereinigde verpakkingen die stoffen hebben bevat, welke zijn ingedeeld in andere vervoerscategorie dan “0”, worden ingedeeld in vervoerscategorie “4”.

    1.1.3.6.2
    Indien de hoeveelheid gevaarlijke goederen die met een transporteenheid vervoerd wordt, de in kolom (3) van de tabel van 1.1.3.6.3 aangegeven waarden niet overschrijdt voor een bepaalde vervoerscategorie (indien de gevaarlijke goederen die in de transporteenheid worden vervoerd, tot dezelfde categorie behoren), of de waarde, berekend overeenkomstig 1.1.3.6.4 (indien de gevaarlijke goederen die in de transporteenheid worden vervoerd, tot verschillende vervoerscategorieën behoren), niet overschrijdt, mogen zij worden vervoerd in colli in één transporteenheid zonder toepassing van de volgende bepalingen:

    • Hoofdstuk 1.10, behalve voor gevaarlijke goederen met een hoog gevarenpotentieel van klasse 1 (overeenkomstig 1.10.3.1) en behalve voor vrijgestelde colli van klasse 7 van UN-nummers 2910 en 2911, indien het activiteitsniveau de A2-waarde overschrijdt;
    • Hoofdstuk 5.3;
    • Sectie 5.4.3;
    • Hoofdstuk 7.2, met uitzondering van V5 en V8 van 7.2.4;
    • CV1 van 7.5.11;
    • Deel 8, met uitzondering van:
    • 8.1.2.1 a),
    • 8.1.4.2 t/m 8.1.4.5,
    • 8.2.3,
    • 8.3.3, 8.3.4 en 8.3.5,
    • hoofdstuk 8.4,
    • S1 (3) en (6),
      • S2 (1), S4,
      • S5,
      • S14 tot en met S21 en
      • S24 van hoofdstuk 8.5
    • Deel 9
    Vervoers- categorie
    (1)
    STOFFEN OF VOORWERPEN
    (VERPAKKINGSGROEP OF CLASSIFICATIECODE / -GROEP OF UN-NUMMER) (2)
    Hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid (3)b
    0

    Klasse 1:      1.1 A, 1.1 L, 1.2 L, 1.3 L en UN 0190

    Klasse 3:      UN 3343

    Klasse 4.2:   stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I

    Klasse 4.3:   UN 1183, 1242, 1295, 1340, 1390, 1403, 1928, 2813, 2965, 2968,2988, 3129, 3130, 3131, 3132, 3134, 3148, 3396, 3398 en 3399

    Klasse 5.1:   UN 2426

    Klasse 6.1:   UN 1051, 1600, 1613, 1614, 2312, 3250 en 3294

    Klasse 6.2:   UN 2814, 2900 en 3549

    Klasse 7:      UN 2912 t/m 2919, 2977, 2978 en 3321 t/m 3333

    Klasse 8:      UN 2215 (MALEÏNEZUURANHYDRIDE, GESMOLTEN)

    Klasse 9:      UN 2315, 3151, 3152 en 3432, alsmede voorwerpen die deze stoffen of mengsels bevatten,
    alsmede ongereinigde lege verpakkingen die stoffen van deze vervoerscategorie
    hebben bevat, met uitzondering van verpakkingen die onder UN-nummer 2908 zijn ingedeeld

    0
    1

    Stoffen en voorwerpen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I en niet onder vervoerscategorie 0 vallen, alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 1:   1.1 B t/m 1.1 Ja, 1.2 B t/m 1.2 J, 1.3 C, 1.3 G, 1.3 H, 1.3 J en 1.5 Da

    Klasse 2:    Groepen T, TCa, TO, TF, TOCa en TFC
    Spuitbussen: groepen C, CO, FC, T, TF, TC, TO, TFC en TOC Chemische stoffen onder druk: UN 3502, 3503, 3504 en 3505

    Klasse 4.1:   UN 3221 t/m 3224, 3231 t/m 3240, 3533 en 3534

    Klasse 5.2:   UN 3101 t/m 3104 en 3111 t/m 3120

    20
    2

    Stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep II en die niet onder vervoerscategorie 0, 1 of 4 vallen,
    alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 1:       1.4 B t/m 1.4 G en 1.6 N

    Klasse 2:       Groep F

    Spuitbussen: groep F

    Chemische stoffen onder druk: UN 3501

    Klasse 4.1:    UN 3225 t/m 3230, 3531 en 3532

    Klasse 4.3 :    UN 3292

    Klasse 5.1 :    UN 3356

    Klasse 5.2:    UN 3105 t/m 3110

    Klasse 6.1:    UN 1700, 2016 en 2017 en stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III

    Klasse 6.2:    UN 3291

    Klasse 9:     UN 3090, 3091, 3245, 3480, 3481 en 3536

    333
    3

    Stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III en die niet onder vervoerscategorie 0, 2 of 4 vallen,
    alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:

    Klasse 2:       Groepen A en O

    Spuitbussen: groepen A en O

    Chemische stoffen onder druk: UN 3500

    Klasse 3:       UN 3473

    Klasse 4.3:    UN 3476

    Klasse 8:       UN 2794, 2795, 2800, 3028, 3477 en 3506

    Klasse 9:       UN 2990 en 3072

    1000
    4 Klasse 1:      1.4 S

    Klasse 2:     UN 3537 t/m 3539

    Klasse 3:     UN 3540

    Klasse 4.1:   UN 1331, 1345, 1944, 1945, 2254, 2623 en 3541

    Klasse 4.2:   UN 1361 en 1362 van verpakkingsgroep III en UN 3542

    Klasse 4.3:   UN 3543

    Klasse 5.1:   UN 3544

    Klasse 5.2:   UN 3545

    Klasse 6.1:   UN 3546

    Klasse 7:      UN 2908 t/m 2911

    Klasse 8:      UN 3547

    Klasse 9:      UN 3268, 3499, 3508, 3509 en 3548
    alsmede ongereinigde lege verpakkingen, die gevaarlijke goederen hebben bevat,
    met uitzondering van die welke onder de vervoerscategorie 0 vallen.
    onbeperkt

     

    1. Voor de UN-nummers 0081, 0082, 0084, 0241, 0331, 0332, 0482, 1005 en 1017 bedraagt de hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid 50kg
    2. De hoogst toelaatbare totale hoeveelheid voor elke vervoerscategorie komt overeen met een berekende waarde van “1000” (zie ook 1.1.3.6.4)

    In de bovenstaande tabel wordt onder “hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid” verstaan:

    • voor voorwerpen, de totale massa in kilogrammen van de voorwerpen zonder hun verpakkingen (voor voorwerpen van klasse 1, netto massa van de ontplofbare stof in kg; voor gevaarlijke stoffen in machines en uitrustingen, zoals omschreven in deze Bijlage, de totale hoeveelheid daarin aanwezige gevaarlijke stoffen in kilogram resp. liter);
    • voor vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen, sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen en opgeloste gassen, de netto massa in kilogrammen;
    • voor vloeistoffen, de totale hoeveelheid gevaarlijke goederen in liters;
    • voor gecomprimeerde gassen, geadsorbeerde gassen en chemische stoffen onder druk, de waterinhoud van de houder in liters.

    1.1.3.6.4
    Indien gevaarlijke goederen die behoren tot verschillende vervoerscategorieën, in dezelfde transporteenheid worden vervoerd, mag de som van

    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 1, vermenigvuldigd met 50,
    • de hoeveelheid van de in voetnoot a) bij de tabel in 1.1.3.6.3 opgesomde stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 1, vermenigvuldigd met 20,
    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 2, vermenigvuldigd met 3, en
    • de hoeveelheid stoffen en voorwerpen van vervoerscategorie 3,

    een berekende waarde van 1000 niet overschrijden.

    1.1.3.6.5
    Voor de toepassing van deze subsectie wordt geen rekening gehouden met gevaarlijke goederen die overeenkomstig 1.1.3.1 (a), en (d) t/m (f), 1.1.3.2 t/m 1.1.3.5, 1.1.3.7, 1.1.3.9 en 1.1.3.10 vrijgesteld zijn

     

    TUNNEL CODE : B/D
    Code voor  beperking in tunnels voor de gehele lading Beperking
    B Doorgang verboden door tunnels van de categorie B, C, D en E.
    B1000C

    Vervoer waarbij de totale netto massa ontplofbare stof per transporteenheid

    • 1000 kg overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van de categorie B, C, D en E;
    • 1000 kg niet overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van de categorie C, D en E
    B/D Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie B, C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
    B/E Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie B, C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E
    C Doorgang verbo den door tunnels van categorie C, D en E
    C5000D

    Vervoer waarbij de totale netto massa ontplofbare stof per transporteenheid

    • 5000 kg overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;
    • 5000 kg niet overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van
      categorie D en E
    C/D

    Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E

    C/E

    Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E

    D Doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
    D/E Los gestort vervoer of vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E;

    Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E
    E Doorgang verbo den door tunnels van categorie E
    - Doorgang toegestaan door alle tunnels (Zie voor de UN-nummers 2919 en 3331 ook 8.6.3.1).
    •  
       
      • Roertunnel
      • Schipholtunnel
      • Swalmentunnel
      • Leidsche Rijntunnel
      • Willem-Alexandertunnel.
    •  

       

      • Beneluxtunnel
      • Coentunnel
      • Drechttunnel
      • Ketheltunnel
      • Kiltunnel
      • Noordtunnel
      • Sluiskiltunnel
      • Salland-Twentetunnel
      • Sytwendetunnel
      • Thomassentunnel
      • Vlaketunnel
      • Waterwolftunnel
      • Westerscheldetunnel
      • Wijkertunnel
      • Zeeburgertunnel.
      • Zelzate tunnel (Belgie)

    •  
       
      • Botlektunnel
      • Heinenoordtunnel
      • Hubertustunnel
      • IJtunnel
      • Koningstunnel
      • Maasboulevardtunnel
      • Maastunnel
      • Piet Heintunnel
      • Velsertunnel
      • Michiel de Ruijtertunnel.  
      • Kennedytunnel (Belgie)
      • Tunnel van Cointe (Belgie)
    •  
       
      • Arenatunnel
      • Stadsbaantunnel. 
      • Waaslandtunnel (Belgie)
      • Hoge Mouwtunnel (Belgie)
      • De Bond Leuven (Belgie)
      • Vierarmen (Belgie
      • Tunnel onder 't Zand (Belgie)
      • Tunnels van de kleine ring Brussel stad
      • Van Praettunnel (Belgie)
      • Navo tunnel (Belgie)

    HOOFDSTUK 7.2.4 - BIJZ. BEP. VERVOER - COLLI - KOLOM 16
    • Bijzondere bepaling V 05

      Colli mogen niet in kleine containers worden vervoerd.


    HOOFDSTUK 7.3.3 - BIJZ. BEP. VERVOER - LOS GESTORT - KOLOM 17
    • In het ADR zijn voor dit UN nummer geen bepalingen in kolom 17 van tabel 3A opgenomen.


    HOOFDSTUK 7.5.11 - BIJZ. BEP. VERVOER - LADEN, LOSSEN, BEHANDELING - KOLOM 18
    • Bijzondere bepaling CV 09

      Men mag niet met de colli gooien of deze aan schokken blootstellen.
      De houders moeten zodanig in het voertuig of de container worden gestuwd, dat zij niet kunnen kantelen of vallen.

    • Bijzondere bepaling CV 11

      Houders moeten altijd worden geplaatst in de positie waarvoor zij werden ontworpen en worden beschermd tegen elke mogelijkheid van beschadiging door andere colli.
    • Bijzondere bepaling CV 36

      Colli moeten bij voorkeur in open of geventileerde voertuigen of open of geventileerde containers worden geladen.
      Indien dit niet mogelijk is en colli in andere, gesloten voertuigen of containers worden vervoerd, moet worden voorkomen dat gas vanuit het laadcompartiment naar de bestuurderscabine ontsnapt  en moeten de laaddeuren van de voertuigen of containers worden gemerkt met de volgende tekst in letters van ten minste 25 mm hoog:

      "WAARSCHUWING
      GEEN VENTILATIE
      VOORZICHTIG OPENEN"

      Dit moet gesteld zijn in een taal die door de afzender als geschikt wordt beschouwd. Wat de UN-nummers 2211 en 3314 betreft, is dit kenmerk niet vereist wanneer het voertuig of de container al is gekenmerkt overeenkomstig bijzondere bepaling 965 van de IMDG Code*.

      * Waarschuwingsteken met de woorden “VOORZICHTIG – KAN BRANDBARE DAMPEN BEVATTEN” met letters van ten minste 25 mm hoog, dat op elk punt van toegang is aangebracht op een plaats waar het gemakkelijk kan worden gezien door personen voordat ze het voertuig of de container binnengaan.


    HOOFDSTUK 8.5 - BIJZ. BEP. VERVOER - BEDRIJF - KOLOM 19
    • Bijzondere bepaling S 02

      Aanvullende voorschriften inzake het vervoer van brandbare vloeistoffen of gassen

      1. Draagbare verlichtingsapparatuur
        Het laadcompartiment van gesloten voertuigen die vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 60 oC of brandbare stoffen of voorwerpen van klasse 2 vervoeren, mogen niet worden binnengegaan door personen met draagbare verlichtingsapparatuur behalve die zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij brandbare dampen of gassen die tot in het voertuig kunnen zijn doorgedrongen, niet kunnen ontsteken.
      2. Het in bedrijf hebben van verwarmingssystemen op brandstof tijdens laden of lossen
        Het in bedrijf hebben van verwarmingssystemen op brandstof, van FL-voertuigen (zie deel 9) is tijdens laden en lossen en op laadplaatsen verboden.
      3. Voorzorgsmaatregelen tegen elektrostatische ladingen
        Indien het FL-voertuigen betreft (zie deel 9) moet een goede elektrische verbinding tussen het voertuigchassis en de aarde worden gemaakt voordat tanks worden gevuld of geledigd. Bovendien dient de vulsnelheid te worden beperkt.

    • Bijzondere bepaling S 17

      De voorschriften van hoofdstuk 8.4 inzake het toezicht op voertuigen zijn van toepassing indien de totale massa van dit goed in het voertuig meer dan 1.000 kg bedraagt.